Jeugdherinneringen - Fred Visser, afvpeize@home.nl
|
|
|
Zie ook: Jeugdtekeningen |
|
Tot 1940 Vlieland |
Oorlog Onderwijs Meccanodoos Padvindersriem Hakenkruisvlag Na het bombardement Voedseldroppings |
Na de oorlog Herstel maar ook einde van dingen Bbtbba TH Delft Haarlem Practisch jaar (Perkins)
|
Militaire Dienst Konkinklijke Luchtmacht Schietkampioenschappen Luchtmachtstaf |
Werkzaam Leven Seminar in Engeland
|
Misschien is het aardig om een beeld te geven van het dagelijkse verkeer in onze straat, de Roelofsstraat in Den Haag. Personenauto’s zag je nog niet veel. Misschien kwamen er twee of drie per dag door de straat. Bijvoorbeeld onze dokter ( dokter Sommer, Waldeck Pyrmontkade 114) had er een. Het verkeer bestond in hoofdzaak uit (bak-)fietsen, handkarren of paard en wagens.
De straat lag dan ook regelmatig vol met hopen paardevijgen, dagelijks opgeveegd door een man met een gesloten handkar die met een veger en een grote schep de rommel verzamelde. Wat er gemotoriseerd rondreed was in elk geval op Donderdag (maar misschien wel 2 keer per week) de vuilniswagen, aangekondigd door een man met een grote ratel. Daardoor konden vergeetachtige lieden hun dienstmeisje (de meeste mensen hadden voor hele of halve dagen een dienstmeisje, dat als hulp in de huishouding werkte) nog snel opdracht konden geven de asemmer buiten te zetten.
Ons dienstmeisje heette Katrien. Verder kwam enkele keren per week de bestelwagen van ‘de Bijenkorf’, die artikelen, welke in dat warenhuis gekocht waren, aan huis bezorgde. Later stond er op die wagen: ‘Het pakje dat u zelf meeneemt hebt u het eerst in huis’. Ook kwamen er wasserijen (er waren nog geen wasmachines) die met een bestelauto twee keer (?) in de week de was, in een grote rieten mand, kwamen ophalen of bezorgen. Op de auto van één wasman stond: ‘Giezeman de wasman, die helder wassen kan’. Onze wasman kwam uit Nederhorst den Berg. Moeilijke plaatsnaam!
Niet elke dag kwam de bloemenman met zijn bakfiets. Hij riep altijd: “Het zijn er nog maar een paar, voor zo weinig centen maar. Vraag niet hoe het kan, maar profiteer ervan!”. Dan was er nog de voddenman met zijn bakfiets. Die riep: “Koooooop….ouwe rommel!” Het heeft lang geduurd voordat ik dat echt verstond. In de winter was er natuurlijk vaak een kolenboer te zien, die met paard en wagen of vrachtauto bij iemand de bestelde kolen en of turf kwam bezorgen. Centrale verwarming had vrijwel niemand. De meeste kachels werden met kolen gestookt. In de zomer kwam er af en toe een ijsman met een bakfiets voorbij. Er werd gekoeld met grote staven ijs onder in de kar.
Het was ’s morgens een flinke drukte in de straat. Veel dingen werden er uitgevent. Zo waren er verschillende bakkers, melkboeren, oliemannen (petroleum voor verlichting, koken en verwarming), groenteboeren, bloemenventers, visboeren etc. die dagelijks langs de deuren kwamen om hun waren te verkopen. Mijn ouders waren klant bij “De ´s-Gravenhaagse Melkinrichting De Sierkan”, gevestigd aan de Nieuwe Haven. Deze had zijn spullen op een handkar, die gekenmerkt werd door twee grote glimmend gepoetste, waaruit de melk via een maatbeker in ons pannetje werd overgegoten. Boter , kaas enz. lagen in laden onder het dek van de kar. In de zomer had hij om zijn grote melkbussen heen witte hoezen, om de warmte tenminste een beetje tegen te houden. Onze bakker was ‘Lensvelt Nicola’. Waarschijnlijk omdat een broer van mijn moeder, Oom Gerard, bij dat bedrijf, gevestigd in de Gortmolen (een straat), werkte. Andere bakkers die ik me herinner waren Hus en Paul C.Kaiser. die bij andere mensen het brood leverden.
Er kwam bij Monhemius, onze onderburen een groenteman met paard en wagen. Onze groenten en aardappelen kocht Mama bij een winkel “Smits en van Halm”, op de hoek van onze straat en de Hoytemastraat. De ene man heette “Ries”, de andere “Jo”. Wij kinderen moesten natuurlijk altijd netjes “meneer” tegen die twee zeggen. Jaren later bleek me (ik denk in 2003) dat die winkel nog steeds bestaat, alleen op een andere plek, veel verderop in de Hoytemastraat. Nu is een kleinzoon van ofwel “Ries” ofwel “Jo” de eigenaar, werd me verteld.
In de meest huizen werd behalve op gas, nog veel gekookt op petroleum. Ik herinner me nog, dat Mama geen petroleum meer mocht kopen bij een olieman die altijd langs kwam, maar dat ze van Papa moest overgaan op de olieman van “De Automaat”. Want die was van de SHELL, waar Papa werkte. De andere verkocht ESSO-petroleum.
20070114
Vuilnisauto’s (Herinneringen tot 1940)
Hoewel ik dat pas veel later bevestigd kreeg uit papieren die ik las, denk ik dat den Haag een tamelijk vooruitstrevende stad is. Dat bleek bijvoorbeeld uit het invoeren van verkeerslichten met een pijl er in, stopstreep op de straat waar vòòr gestopt moest worden bij rood licht, maar ook uit andere maatregelen die met het verkeer te maken hadden. Zo was het ophalen van het huisvuil in de stad ook al voor de oorlog op een behoorlijk goed peil. De vuilnisauto’s werden achterop geladen met een kiepsysteem, waar overheen een klep viel zodra de vuilnisemmer weer naar beneden gehaald werd. Twee maal in de week kwam de vuilniswagen door de straat. Hij werd voorafgegaan door een man met een grote ratel, die de bewoners erop attendeerde dat de wagen in aantocht was. Op die manier konden de mensen die dit vergeten hadden nog snel hun “asemmer” zoals dat ding gewoonlijk genoemd werd, buiten zetten.
Veel later, toen wij eens een Engelse jongeman op bezoek hadden, was die verbaasd over het ophaal systeem dat bij ons heel gewoon was. Bij hem in de stad werd het vuil uit de bakken gewoon achterop een open vrachtwagen gestort, waar een zeiltje overheen werd gelegd.
Onze auto’s waren groot. Ze hadden een
grijsgroene kleur. Vooraan was een korte neus, waarboven (ongeveer) de
bestuuurderscabine zat. Achterop was een vrij grote tank, die kon worden
gekiept, opdat het gestorte vuil naar voren viel en achterin weer ruimte
kwam voor nieuwe lading. Als dat kiepen gebeurde maakte dat wel een
beetje lawaai. Ik was er altijd vlug bij om naar het raam te rennen
zodra ik dat kenmerkende geluid hoorde. De bemanning van de wagen bestond meen ik
uit drie of vier man. Eén daarvan was de voorman/chauffeur. De anderen
tilden de asemmers op om ze te legen.Maar wat mij het meest intrigeerde was,
dat de voorman niet alleen maar in zijn cabine zat! Hij liep meestal ook
op straat naast de rechterkant van de wagen en bestuurde die met een
klein stuurwieltje waarbij ook een paar handels zaten. Zo kon hij de
wagen dicht langs de stoep laten rijden en stoppen. Als er veel asemmers
bij elkaar
stonden, ging hij ook wel meehelpen bij het leegstorten daarvan.
Nadat de vuilniswagen voorbij was, kwam de man met het handkarretje en de veger, om eventueel gemorste dingen bij elkaar te vegen en mee te nemen.
20061121
Mijn vriendje Peter Ras, die bij mij in de klas zat, woonde vlak bij ons, in de Hoytemastraat.
Zijn vader sprak Nederlands, zijn moeder ook een beetje, maar niet erg goed verstaanbaar. Die mensen kwamen uit Zwitserland, waar de moeder ook geboren was en ik denk dat Peter daar ook op de wereld gekomen was. Peterli noemde zijn moeder hem altijd. Het meest interessante aan de familie Ras was voor mij, dat Peterli (of zijn vader, dat weet ik niet zeker meer) een elektrische trein had. Het was een Märklin trein, naar Zwitsers model (een Krokodil), met brandende koplampen op de locomotief en een heel rijtje mooie Pulmann-wagens met binnenverlichting er achter.
Natuurlijk vond ik het prachtig om bij Peter te gaan spelen wanneer de trein uitgelegd was. Het spel kwam er voor Peter en mij dan meestal op neer, dat we af en toe een wissel mochten omzetten. Want Meneer Ras bediende zelf de transformator. Maar toch was het erg spannend! Van Mevrouw Ras kregen we limonade.
Van die trein heb ik twee dingen overgehouden: Ten eerste mijn belangstelling voor treintjes. Ten tweede mijn afkeer van Märklin treinen, omdat ik nog heel goed weet dat ik de puntjes midden op de dwarsliggers in de rails (waarvan de rijspanning door de trein werd afgenomen) toen al erg lelijk en “onecht” vond, evenals de ‘sprong’ die de trein maakte wanneer de rijrichting omgekeerd moest worden.
Hoewel roomkaas niet uit Rome komt, valt het op dat veel kaassoorten zijn genoemd naar de stad waar ze (oorspronkelijk) gemaakt werden. Zo kennen we Goudse kaas, Edammer kaas, Leidse kaas enzovoorts. Je kunt er in allerlei advertenties nog veel meer tegenkomen. In de dertiger jaren, toen ik nog een jongetje van 4 of 5 jaar was, kende ik natuurlijk nog lang niet al die plaatsnamen. Nu wilde het toeval dat er op het winkelpleintje vlak bij ons een kaaswinkel was die heette “De Woerdense”. Kennelijk kwamen die mensen uit Woerden. Dat dit een plaatsnaam was wist ik absoluut niet! Op een dag, toen we in die winkel weer iets gekocht hadden, vroeg ik aan mijn moeder: ”Mama, waarom zijn ze eigenlijk woedend?” Ik had altijd begrepen dat de winkel heette: “De woedende Kaasboertjes”.
Van het huis in de de Tomatenstraat weet ik zelf
niets meer, omdat we kort na mijn geboorte verhuisden naar de Roelofsstraat
114 in het Benoordenhout-kwartier. Dat mijn vader geen auto had weet ik heel
zeker. Eigenlijk had vrijwel niemand een auto. De Roelofsstraat was een vrij
nieuwe straat, waar wat genoemd wordt ‘gegoede’ mensen woonden. In deze straat
was (tegenover ons) één familie, de familie Boason, die een auto had. Dat was
een grote prachtige zilverkleurige Horch. Dat merk is later (met andere)
opgegaan in wat nu Audi heet. De familie Boason woonde in één van de vier
huizen die in ons stuk van de straat een garage hadden, maar de enige die hem
ook als garage gebruikte. Andere autobezitters herinner ik mij niet. Door de
deportatie van de joden is de familie Boason verdwenen. De mooie auto werd
natuurlijk ook snel ingepikt. Tijdens de mobilisatie van 1939 was mijn vader
ingekwartierd in Hilversum bij de familie Loeff, die
in een enorme villa
woonden met een parkachtige tuin er omheen. De familie woonde er met drie
personen (vader, moeder en dochter), terwijl er ook het nodige personeel was. Ik
herinner ik mij nog de meiden, Rosa (een relatief mooie maar brutale Duitse, dat
zag ik op die leeftijd toch al wel, die volgens mij eigenlijk een Nazi-sympatisante was, en Lisa, een Hongaarse (?) die minder mooi was, maar veel
liever. Ook was er een tuinman en verder nog een andere man, van wie ik niet
meer weet wat zijn taak was. Kennelijk vonden de Loeffs mijn vader wel een
geschikte man, want na een paar weken waarin Papa alleen in het weekeind naar
ons in Den Haag kon komen, boden ze hem op een verdieping van het huis drie
kamers aan waarin wij als gezin zouden kunnen logeren zolang de mobilisatie
duurde. Erg sympathiek! Hoe lang we er zijn geweest weet ik niet meer, maar het
was voor ons kinderen beslist geen vervelende tijd. In de wintertijd keken we
vaak voor het raam naar de eekhoorns, die in de bomen van de tuin speelden. Op
dat adres speelde zich ook het verhaal “Bofkont” af. Dat mooie huis is later
helaas helemaal afgebrand. In die mobilisatie had Papa enige tijd een auto tot
zijn beschikking. Hij was toen kapitein bij de (militaire) Motordienst, de
(enige) afdeling die vrachtwagens tot zijn beschikking had. Later zijn daaruit
denk ik de Aan- en Afvoer Troepen voort gekomen. Het grootste deel van het
militaire transport geschiedde nog met paarden en wagens, te voet of per fiets
(!).
Als kapitein kreeg Papa een (door het leger van een particulier
gevorderde) Ford V8 cabrio
let in gebruik. Eerst was die mooi glimmend
donkergroen. Later spoten ze hem helemaal in een lelijke, doffe leger-groene
kleur.De auto werd bestuurd door Bos, een soldaat, die de chauffeur van mijn
vader was. Als Bos op mijn vader wachtte mocht ik soms, vijf jaar oud, bij Bos
op schoot, in de grote tuin van het huis een rondje in die auto sturen. Eens
greep hij snel het stuur van me over, met de kreet: “Hé zeg, pas op, je moet
het huis niet in de poeier rijden!” Toen moest ik zò lachen, dat ik er bijna in
gestikt ben. Waarschijnlijk omdat de B.P.M. ( Bataafse Petroleum Maatschappij,
dat was toen de naam van het deel van SHELL, waar Papa werkte) pogingen in het
werk stelde om hem weer uit de militaire dienst “los” te krijgen, is het
Hilversumse avontuur geëindigd. Voor zover ik weet waren we tijdens de
oorlogsdagen van Mei 1940 (Duitse inval) weer gewoon thuis in de Roelofsstraat.
Later praatte Papa er wel vaak over dat hij “na de oorlog” (dat was het
ideaalbeeld waar de mensen zich in die periode aan vast trachtten te houden) een
auto wilde kopen. Dat moest dan een Ford V8 cabriolet worden. Dat was zijn
absolute favoriet. Natuurlijk zag ik dat helemaal zitten! Helaas hebben we dat
niet meer mogen meemaken.
Toen we nog in de Roelofsstraat woonden kwamen vanuit Vlissingen af en toe Opa en Oma Visser, de ouders dus van mijn vader, bij ons logeren. We zagen ze natuurlijk ook wel in hun eigen huis in Vlissingen en ’s zomers op Vlieland, maar we vonden het altijd leuk als ze bij ons thuis kwamen.
Het is lang geleden en er zijn nog slechts wat kleine herinneringen voor mij aan die visites bij ons overgebleven.
Bijvoorbeeld herinner ik me, dat Opa soms ineens de kamer in kwam met zijn hoed op. “Opa waarom heeft U uw hoed op?” vroeg ik. “Dat komt, Fred,” zei Oma, “omdat Opa een eindje gaat wandelen.” In mijn idee was dat een rare opmerking, want meestal moest je als je naar buiten ging ook een jas aan. Maar alleen met een hoed op, daar klopte niet veel van. Maar ja, als Oma een verklaring gaf, dan was het niet zo dat een jongetje van laten we zeggen vijf jaar daar nog iets over zei of toelichting vroeg. Oma zei iets en dat was genoeg!
Waarom Opa nou die hoed op had (bleek me later, maar dat was niet een verder bespreekbaar onderwerp): In de eerste plaats omdat Opa het in het toilet koud vond en die hoed nodig had om zijn kalende schedel een beetje bescherming te geven. In de tweede plaats achtte Oma het onderwerp dat Opa naar het toilet ging niet iets om met kleinkinderen te bespreken.
Een ander geval dat mij nog helder voor de geest staat is, dat Oma Rika eens een beroerte had gehad. Een beroerte is een verstopping van een of meer bloedvaten in de hersenen, waardoor (als het erg is) een aantal hersencellen niet meer hun functie kunnen uitvoeren en er uitval-verschijnselen optreden. Bijvoorbeeld kon Oma na die beroerte niet goed meer haar ene been en vrijwel helemaal niet meer haar arm aan diezelfde kant gebruiken. Het logeren bij ons op het bovenhuis in de Roelofsstraat werd daardoor een probleem. Want een lift hadden we natuurlijk niet.
Mijn vader bedacht een oplossing: Opa en Oma zouden met de trein naar den Haag komen. Vanaf het station namen ze een taxi naar ons huis. Misschien haalde Papa ze wel van het station af, met die taxi.
Papa sprak met Oom Gerard, één van de broers van mijn moeder, af, dat hij zou helpen met het naar boven brengen van Oma langs de trap.
Eén van de grote leunstoelen die nu in Frankrijk in de eetkeuken van Le Rêve staan werd door Papa en Oom Gerard naar beneden gebracht. Oma werd in die stoel gezet en met een touw over haar lichaam heen werd ze vastgezet, opdat ze niet uit die stoel zou vallen. Papa en Oom Gerard pakten haar met stoel en al op en droegen haar langs de trap naar boven. Mama, Erica en ik stonden bovenaan de trap gespannen te kijken. Mama was bang. De kinderen vonden vooral dat die mannen sterk waren! Het was moeilijk om je voor te stellen dat je zelf zo sterk zou zijn.
Toen Oma boven was scheen het dat ze zich helemaal niet angstig gevoeld had op die stoel.
Ze schuifelde zelf naar de kamer , ging bij het raam op dezelfde stoel zitten en vond dat een mooi plekje waar ze over de straat kon uitkijken.
Als de kinderen ’s avonds naar bed gingen zat Oma daar nog. En in de ochtend, als we weer beneden kwamen, was ze al weer op haar troon gezet. Ze voorzag ons van allerlei commentaar op wat ze in de straat zag gebeuren. En haar commentaar was niet altijd mals!
20070115
Opa en Oma Visser. Ca 1939
Om ongeveer half tien in de avond werd er bij ons vakantie-adres gebeld. Tot verbazing van mijn ouders stond daar dezelfde dokter voor de deur, die ’s middags naar mij was komen kijken, omdat ik ziek was. “Ik kwam terug van een spoedpatiënt en toen dacht ik ineens: Ik zal nog even bij dat jongetje van Visser kijken.” Mijn vader zei, dat hij dit erg op prijs stelde, omdat ik (normaal een heel gezeglijk ventje van 5 jaar) erg tekeer ging als ik de door de apotheek die middag afgeleverde medicijnen moest innemen. Bovendien leek ik eerder erger ziek dan minder. Dokter bekeek mij, vroeg naar de medicijnen, bekeek die ook en stak het doosje in zijn zak. Hij zei ”Ik ga nu direct even een zuster ophalen , we zullen hem even zijn maagje moeten leegpompen.” Consternatie!! Het doosje van de medicijnen bleek arsenicumtabletten te bevatten. Ouders in Paniek! Na korte tijd kwamen ze, de dokter en de zuster, binnen. Ondanks de verzekering dat ze zouden proberen om het snel en effectief te doen, leek het mij niet leuk. En het was inderdaad geen prettige ervaring. Erg benauwd. Een slang werd me door de strot geduwd. Daarna spoelden ze mijn maag uit. Ik zie nòg die fles met steeds nieuwe vloeistof die opgetild werd opdat het borrelend mijn maag in liep, om daarna, laag gehouden, weer vol te lopen met hetgeen ze uit mij “tankten”. Toen een en ander klaar was, had ik de buitenkant van twee vingers van de dokter kapot gebeten. Maar die benauwde slang was tenminste weer uit mijn keel. Ze zeiden, dat ik een grote jongen was. Dat vond ik zelf niet hoor, en ik kon nauwelijks nog een woord uitbrengen met mijn rauwe keel! De stennis, die ontstond heeft zich toen buiten mij om afgespeeld. Bij de apotheek bleek een “foutje” te zijn gemaakt. Twee doosjes waren bij het inpakken verwisseld. Het liep goed af, ik schrijf dit verhaaltje dan ook zelf. Mijn ouders hebben besloten geen klacht in te dienen. Ze waren blij dat het incident goed afgelopen was. Nog heel goed weet ik, dat ik toen ik weer beter was, mijn eerste rode Schuco-auto cadeau kreeg. Die had vier echte versnellingen, een vrijloop en een achteruit. Jarenlang was die eerste (op termijn gevolgd door verschillende andere) het pronkstuk van mijn autopark. Het heeft een hele tijd geduurd, voordat ik mij bewust ben gaan afvragen, wat die dokter heeft bewogen om op die septemberavond in 1939 ineens bij ons te stoppen. Voor mij staat het vast, dat toen “mijn tijd nog niet gekomen was”. Er zijn méér dingen tussen hemel en aarde …....Gemakshalve neem ik nu maar aan, dat ik een eigen beschermengeltje heb. Later, tot op de huidige dag, heb ik tot mijn verbazing en dankbaarheid vele keren mogen ervaren, dat dat engeltje nog steeds over mij waakt. Ik ben er een: een bofkont!
Freja
In de Roelofsstraat woonden wij op nummer 114. Dat was ongeveer in het
midden tussen twee zijstraten, de van Hoytemastraat en de
Sadeestraat. In die straat waren voortuintjes, met telkens drie
voordeuren ertussen. Beneden was een “dubbel” benedenhuis, met daarop
naast elkaar twee bovenhuizen. Wij woonden in zo’n
bovenhuis, met een woonetage en nog een slaapetage er bovenop. Naast ons,
ook boven, woonde de familie Joosten. “Oom Wim” werkte (als ik het mij
goed herinner) bij het Kadaster. Hij en zijn vrouw “Tante Suus”
hadden geen kinderen. In het benedenhuis, op nummer 112 dus, woonde de
familie Monhemius. “Oom Leo” en “Tante Corrie” Monhemius hadden
twee kinderen. Oom Leo werkte denk ik bij de Zuiderzeewerken. Hun zoon Wim
was iets ouder dan wij, dochter Hannie was ongeveer even oud als mijn
zusje Erica.
Er woonden veel kinderen in die straat. Kennelijk was de buurt nog niet zo
lang geleden opgeleverd en waren er in de ruime huizen veel jonge gezinnen
met kinderen komen wonen. De volgende “inham” met voordeuren (in de
richting van de van Hoytemastraat) tussen de voortuintjes had de
huisnummers 106, 108 en 110. Weer verder in die richting kwam de voor ons
belangrijke inham met de nummers 100, 102 en 104. Op 100, in het
benedenhuis, woonde de familie Schouten. Oom “Koos” werkte bij de
Octrooiraad, die in een groot kantoorgebouw aan het einde van de straat op
de hoek van de van Alkemadelaan was ondergebracht. “Tante Freddy”
was moeder van een heel rijtje kinderen: Ellie, Rob, Frans, Freja en Hetty.
Freja was van mijn leeftijd. Tussen de families Schouten en Visser was er
praat van, dat Fred maar met Freja moest trouwen. Hoewel ik mij niet
herinner dat ik daarvan onder de indruk was, weet ik nog wel, dat ik mij
dat maar liet aanleunen, omdat Freja een lief meisje was.
Om een indruk te geven van de leeftijden van de kinderen Schouten, haal ik
even op dat op een gegeven ogenblik Ellie ging trouwen. Dat was
vermoedelijk min of meer een ongelukje, maar er werd in de straat toen
nogal wat ophef van gemaakt. Freddie Schouten ging er prat op, dat zij nu
wel de jongste Oma van Den Haag zou worden. Net als Ellie was
Rob veel te oud om met ons te spelen. Met Frans, Freja en Hetty speelden
we wel, veelal op straat, maar ook bij hun, bij ons of bij een ander
thuis. Frans is overigens nooit een echt vriendje van mij geweest. Hij was
in mijn herinnering een wat nors jongetje, met een soort uitstraling dat
er ook niets aan kon doen dat hij bestond.
Freja was wel een echt vriendinnetje van mij. Zo herinner ik mij dat ik
met haar een keer op straat speelde met de mooie nieuwe step die ik voor
mijn verjaardag had gekregen. Op die step was ik erg trots, want het was
de mooiste step in de hele straat. Met Freja voorop, twee handjes op
het stuur, mijn handen op de handvaten van het stuur en ik staande achter
Freja, gingen we loeihard over het trottoir. Eigenlijk een
macho-vertoning van mij. Het was erg spanend en leuk, tot het moment dat
er van de andere kant af een paar grote mensen kwamen aanlopen. Langs de
stoeprand stond een kar (in die tijd werden allerlei boodschappen door
mensen met karren of paard-en-wagens dagelijks in de straat uitgevent.
Plotseling besefte ik, dat ik er niet goed tussendoor zou kunnen. Aan één
kant die mensen, aan de andere kant die kar. En dan stond daar ook nog een
lantarenpaal op de stoep! Een step had in die tijd nog geen rem. Probleem!
Ik voelde, dat ik als bestuurder van de step iets moest doen, om Freja te
beschermen. Dus zei ik haar te bukken, hoofd naar beneden, achter de
stuurstang van de step. Daarna stuurde ik recht op de lantarenpaal.
Ik boog mij voorover, over Freja heen en knalde met mijn hoofd tegen het
ronde sluitinkje, waarmee de lantarenpaal geopend kon worden. We vielen
natuurlijk om. Freja had niets. De step was niet kapot, alleen een kras.
Het liep dus allemaal goed af. Alleen heb ik wel geruime tijd met een
precies rond gat in mijn hoofdhuid rondgelopen. Of mijn levensinstelling
door dat ongeluk beïnvloed is, durf ik niet te zeggen.
Tegen het einde van 1943 kwam het onzalige bericht dat de hele wijk
ontruimd moest worden vòòr 1 januari 1944. De moffen hadden de hele
buurt nodig als onderdeel van de “Vesting Den Haag”. Grote
verslagenheid bij iedereen. Afgezien ervan dat een heel sociaal gebeuren
in één klap werd afgebroken, was het in oorlogstijd werkelijk heel
moeilijk om op een andere plaats een woning te vinden. Ik herinner mij
nog, dat er een Bureau was van de gemeente Den Haag, dat heette
“B.A.R.A.” Vraag me niet waar die letters voor stonden, maar
heel goed in mijn hoofd klinkt nog hoe de man van dat bureau nadat hij
aangebeld had (De voordeur werd van boven af met een touw open getrokken)
naar boven riep: “Hier is Kooistra van de B.A.R.A.” Hij moest
vermoedelijk bemiddelen bij het vinden van andere ruimte om te wonen. Of
dat veel heeft geholpen betwijfel ik. Wel weet ik, dat hij bij ons en bij
alle buren herhaaldelijk aan de deur kwam.
Aanvankelijk meende mijn vader een ander huis gevonden te hebben in de
buurt van het Stokroosplein. Jammer genoeg kon dat niet doorgaan, want ook
die huizen stonden op de nominatie om spoedig ontruimd te worden. Na veel
gedoe en gezeur is uiteindelijk het huis in de Loudonstraat 16 als nieuwe
(tijdelijke) woning gevonden. Oom Wim en Tante Suus Joosten kwamen terecht
in de Sillestraat 208, het huis waar mijn moeder met haar kinderen later
lang gewoond heeft. De familie Schouten ging naar Leiden, waar ze denk ik
woonden aan de Rijnsburgerweg.
Het sociale leven was in de laatste periode van de oorlog erg beperkt. Er
was weinig of niets te eten dus bijvoorbeeld het maken van fietstochten
(zoals we vroeger wèl vaak deden) was niet aantrekkelijk. Openbaar
vervoer was teruggebracht tot bijna nul. Trams en treinen reden af en toe,
maar vaak helemaal niet. Telefoon werkte ook alleen als je geluk had.
Bovendien waren er in Den Haag voortdurend, zeg maar dag in dag uit,
luchtaanvallen met groepen jachtvliegtuigen op de startbanen van V1’s en
V2’s die in het Haagse bos (binnen de vesting Den Haag) stonden.
Door al die oorzaken raakten we het contact met de familie Schouten in die
tijd goeddeels kwijt. Pas na de oorlog konden we wel weer enkele keren ook
naar Leiden, op de fiets of met de tram, waar getracht werd het oude
gezellige contact uit de Roelofsstraat weer terug te vinden.
Kort na de bevrijding kwam de onheilstijding uit Leiden: Met andere
kinderen speelden de kinderen van Schouten op straat. Natuurlijk was er
erg veel aandacht voor een legertruck, die langs de stoeprand geparkeerd
stond. Kinderen hingen er aan, klommen er op enzovoort. Tot de militaire
chauffeur terugkwam en ze er af stuurde, omdat hij weer verder moest. De
kinderen vonden dat helemaal niet leuk. Maar goed, tenslotte gingen ze wel
terug. Ongelukkigerwijze viel Freja bij het achteruit lopen. De truck reed
met zijn achterwiel precies over haar heen.
Oom Koos kwam naar buiten rennen. Hij pakte haar op van de straat. Freja
zei: “Ga ik nou dood, Papa?” Dat is het laatste wat ze gezegd heeft.
-o-o-o-o-
Vlieland (volgt later)
Oorlog (volgt later)
Onderwijs (volgt later)
Meccanodoos (volgt later)
Padvindersriem (volgt later)
Hakenkruisvlag (volgt later)
Vanuit de Roelofsstraat gingen we af en toe naar tante Gré, de vrouw van oom Gerard, die in Wassenaar woonde. Omdat Oom Gerard zeeman was, was hij gedurende de hele oorlog niet thuis. Hij voer toen op de Sibajak van de Rotterdamse Lloyd, wat een grote scheepvaartlijn was in die tijd. Dat kwam omdat er heel veel Nederkanders werkten en woonden in Indië (dat heet nu Indonesie). Er waren nog geen grote vliegtuigen; dus de mensen van en naar Indië reisden meestal met grote schepen. Zeemannen, die aan het begin van de oorlog juist met een reis bezig waren, konden dus de hele oorlog niet meer naar huis!
Naar
tante Gré gingen we meestal met de “Gele Tram”, de interlokale lijn of
“buitenlijn” van de H.T.M. De lijnen naar Wassenaar, maar ook door naar Leiden,
en ook die naar Voorburg en Delft noemde de H.T.M. de “buitenlijnen”. Maar de
meeste trams Van de H.T.M. reden (en rijden nog steeds) in den Haag zelf. Verder
waren er nog andere trams, de “ Blauwe Tram”, van de N.Z.H.T.M., die over een
groot gebied in Zuid- en Noord-Holland reden. Maar de Gele Tram was Ònze tram.
Omdat onze buurt helemaal gesloten werd, kon de gele tram vanaf de tankgracht
alleen nog over de Benoordenhoutse weg rijden met een Duitse soldaat erbij en de
deuren van de tram allemaal op slot. Pas voorbij de Waalsdorperlaan en na het
passeren van wat in de volksmond de “Mauermuur” heette, mocht de tram weer
stoppen en mensen laten in- en uitstappen.
Op last van de Moffen moesten we dus ons huis in de Roelofsstraat vòòr eind 1943 verlaten hebben.
Nadat er eerst kans was geweest dat we in de Rozenstraat terecht zouden kunnen, bleek dat ook die straat tot “Sperrgebiet” werd verklaard, omdat de Moffen vanuit de Vesting Den Haag voldoende schootsveld zouden moeten hebben wanneer de geallieerden in Scheveningen zouden landen. Gelukkig vond mijn vader dan toch nog een vochtig en klein benedenwoninkje in de Loudonstraat 16, waar we vanaf dat moment het einde van de oorlog moesten afwachten. Wel hadden we daar (voor de eerste keer) een tuin, wat voor ons kinderen helemaal nieuw was. De hongerwinter moest toen nog komen. De eigenaren van dat huisje waren de NSB-familie Kips, die schuin om de hoek woonden.
De Loudonstraat was (met het oog op het later doortrekken van een tram) breed aangelegd. Bovendien hadden we een heel breed trottoir aan onze kant. Het is één van de straten die lopen vanaf het Stuyvesantplein. Begin je bij onze straat, en draai je tegen de wijzers van de klok in, dan tref je eerst de Stuyvesantstraat (richting de Eerensplein), dan de Pahudstraat, de Juliana van Stolberglaan (richting Laan van Nieuw Oost-Indië), weer de Stuyvesantstraat (richting Voorburg), en tenslotte de Juliana van Stolberglaan (richting Schenkkade).
Op
het Stuyvesantplein was een lusvormig eindpunt met drie sporen van twee
tramlijnen, namelijk lijn 6 en lijn 13. In de zomer van 1944 reden de trams
nog als vanouds. Vanaf het plein ging lijn 6 rechtsaf de Juliana van
Stolberglaan in, lijn 13 ging rechtdoor de Stuyvesantstraat in richting
Voorburg, maar later maakte hij weer een bocht, zodat hij toch weer in de stad
terecht kwam. De bemanningen van de trams (altijd een bestuurder en één of twee
conducteurs) hadden in een klein gebouwtje op het plein een rustlokaal met een
toilet , waar ze even koffie konden drinken of zo.
Wij jongens hadden erg veel belangstelling voor die trams. Het was een sport om, als er een tram aankwam, te weten welke tram het eerst weer vertrekken zou. Was dat lijn 6, dan moest een wissel op “krom” gesteld worden, richting Juliana van Stolberglaan. Was het lijn 13, dan moest dat wissel juist “recht” staan, opdat die tram de Stuyvesantstraat in kon rijden. In die tijd waren er bij ons nog geen elektrische wissels.
De jongen die het eerst bij de juist binnen gelopen tram was, vroeg of hij het wissel mocht omgooien. Daarvoor had elke tram een grote ijzeren stang met een platte punt, die in het wissel gezet en dan bewogen moest worden, waardoor het wissel “om” ging. Af en toe ging het natuurlijk fout. Dan bleek bijvoorbeeld dat de andere tram toch juist iets eerder weg moest, zodat het wissel toch verkeerd stond. Een heel gedoe, want dan moest er achteruit gerangeerd worden, wissel weer om en dan in de goede richting weg. De jongen die dat verkeerd gedaan had was dan meestal een poosje “af”, zodat hij niet meer aan de beurt kwam bij onze dienstverlening.
- 2 -
Op een keer was het erg druk op het plein. Dat kwam omdat lijn 7, die normaal niet hier kwam maar zijn eindpunt bij station Laan van Nieuw Oost-Indië had, net als lijn 6 naar ons toe moest door een ongeluk op de Laan van Nieuw Oost-Indië. Aan drie sporen naast elkaar hadden we die dag eigenlijk niet genoeg. Na het bombardement van 3 maart 1945 waren de sporen in de Stuyvesantstraat en verderop in het Bezuidenhout niet meer te gebruiken. Daar woonde in al die ruïnes ook niemand meer. Lijn 13 is dan ook nooit meer gaan rijden. Lijn 6 werd (veel later) inderdaad door de Loudonstraat heen verlengd naar de nieuwe stadswijk Mariahoeve en verder door tot helemaal in Leidschendam. Voor zover ik weet is lijn 6 nu de langste stadslijn van de HTM.
Na de oorlog kwam het tramverkeer moeizaam weer op gang. Er waren wagens beschadigd, andere waren door de moffen ingepikt, om in Duitsland te rijden waar erg veel trams kapot geschoten of gebombardeerd waren, en tenslotte was er al jaren te weinig onderhoud gedaan, omdat er geen reserve-onderdelen meer te krijgen waren. Omdat er ook weinig fietsen meer waren (ook gepikt door de Moffen) en nog steeds niet veel auto’s, moesten wel veel mensen met de tram reizen. Ook heel oude krakkemikkige wagentjes werden weer gebruikt in een poging om zo veel mogelijk service te bieden. Dat leidde er toe, dat bij sommige drukke haltes de mensen als gekken in de tram probeerden te klimmen. Ook als het in de wagen al vol was, bleven mensen dan vaak op te treden van de balkons staan en hangen, om toch vooral maar met die tram mee te kunnen. Er viel wel eens iemand af. Ook bij het passeren van een auto gebeurde wel eens een ongeluk. Dat leidde tot de advertentie van de H.T.M.: “Hang niet aan de tram; dat kan u uw leven kosten.” Maar de mensen vonden dat onzin. Al heel gauw werd er gezegd:”Mensen, hang niet aan uw leven; dat kan u uw tram kosten.”
In het vroege voorjaar van 1945 was er dagelijks luchtalarm omdat groepen
jachtvliegtuigen de lanceerbases in het Haagse Bos aanvielen van de
Duitse V1 en V2 “geheime wapens”. De aanvallen waren zo intensief, dat
het luchtalarm meestal na één of twee aanvalsvluchten al in de war was.
Na de aanval, die per stuk niet echt erg lang duurde, moest natuurlijk
“veilig” klinken. Bij de volgende golf weer “alarm”. Vaak was het
echter zo, dat als het signaal “veilig” pas werd gegeven, de volgende
vlucht juist aankwam. Het “alarm” kwam dan als de vliegtuigen net weer
wegvlogen. Zoals ik al eerder eens meldde, vlogen de jagers vrij hoog. Ze
kozen positie in “flights”(groepjes van drie) en doken dan vanuit de
richting waar de zon stond naar de bases toe. De aanvallen werden gedaan
met boordkanonnen van de jagers, en/of met betrekkelijk lichte bommen
en later ook met raketten, die vanaf de vliegtuigen naar beneden gestuurd
werden. Die raketten waren veel trefzekerder dan de bommen en de kanonnen. In
de tuin in de Loudonstraat vonden we af en toe hulzen van de
boordkanonnen. Ze waren ongeveer 12 cm lang en hadden een doorsnee van 20
mm. Moest je niet op je kop krijgen!. Binnen blijven tijdens de aanvallen
was veel gezonder dan buiten lopen. Bij de aanvallen vonden
natuurlijk ook explosies plaats. In verband daarmee was het verstandig
(zodra de weersomstandigheden dat toelieten) om ramen die open konden, op
een kier te zetten. Je moest er niet aan denken dat je een kapotte
ruit zou krijgen! Nieuw glas was niet, of alleen met zeer veel moeite,
gedoe en gezeur te krijgen. Om over de prijs maar te zwijgen. We leefden
toen overigens al vrij sterk in een ruil-maatschappij: Ik lever glas, als
je mij brood, of broodbonnen, of iets anders geeft waaraan ik behoefte
heb.
De moffen hadden toen zelf hier al geen vliegtuigen meer, en ze
hadden dus ook weinig te vertellen in de lucht, hoewel er nog wel
met luchtafweergeschut (Flak = Flugzeug-Abwehr-Kanone) werd geschoten. Een
enkele keer ging er natuurlijk ook iets mis met zo’n vliegtuig. Zo werd
er een keer een geraakt bij de aanval. De piloot moet dan snel een
beslissing nemen. Hij moest in elk geval proberen nog terug naar Engeland
te komen, want het verlies aan piloten was een van de grootste problemen
van de R.A.F. (heb ik achteraf gelezen). Deze piloot schatte het kennelijk
in,dat hij de terugvlucht, mits zonder zware lading, nog zou kunnen halen.
Daarom liet hij boven de Stuyvesantstraat (schuin achter ons) zijn bommen
los en koos het hazenpad. De bommen vielen op een huis in de
Stuyvesantstraat. Het huis was niet helemaal verwoest, maar het kon tot na
de oorlog niet meer bewoond worden. Later is het wel gerepareerd. Iedereen
schrok. Natuurlijk is het erg kwalijk als eer met een van je
“vrienden” iets mis gaat. Maar ook realiseer je je dan, dat die bommen
net zo goed op je eigen huis hadden kunnen vallen. Gelukkig had Leo,
mijn broertje, zowel aan de voorkant van het huis als aan de achterkant
alle ramen die open konden op een kier open gezet. Dat was zijn
(zelfbedachte) taak op elke redelijk goede dag. Leo was min of meer de
held van de dag! Bij ons was er geen enkele ruit stuk. Alleen de
glas-in-lood ramen van de schuifdeuren tussen de voorkamer en de
achterkamer waren bol gaan staan. Later hebben we die voorzichtig weer
teruggebogen. Bij het huis op de eerste etage waren achter (dat was de
kant waar de bom op de volgende straat was gevallen) alle ruiten er uit en
aan de voorkant één. Op de tweede etage kenden ze de truc met de kieren
ook; daar was alleen één ruit gebroken.
Leo genoot!
De bommen zelf
De V1 was een soort vliegtuig met een raketmotor. Die dingen werden
gestart en moesten dan tot boven Londen vliegen, waar ze op een of andere
plek gewoon naar beneden vielen omdat de brandstof op was, meestal midden
in de stad. Elke V1 richtte nogal wat schade aan. Daarmee hebben de
moffen de Engelsen heel wat ellende bezorgd. Later heb ik in het
Armamentarium in Delft zelfs een V1 gezien die bemand gevlogen kon worden.
Maar die schijnen nooit als “zelfmoordwapen” echt in gebruik geweest
te zijn. De Jappen deden dat in vliegtuigen wèl! Wat voor ons vooral
nogal vervelend was: ze deden het vaak niet of niet goed. Zo zijn er
ook verschillende V1’s in Den Haag neergevallen. Op een dag was er weer
een gelanceerd, waarvan je kon horen dat het niet goed ging. De motor
werkte slecht, sputterde. Narigheid was, dat je in zo’n geval alleen
maar kon hopen dat hij niet op je eigen huis zou vallen. Ook de richting
waarin hij uiteindelijk zou gaan was totaal onduidelijk, omdat ze er na de
start niets meer aan konden bijsturen. Wij zagen het ding (vrij laag) over
de huizen van de vamn Lansbergenstraat naar ons toe komen. Gelukkig wel
hoog genoeg om te begrijpen, dat hij over ons heen zou zeilen.
Ongeveer boven ons huis brak het hele ding in tweeën. Ik weet niet
precies wat gebeurde, maar ik denk dat de motor er af brak. Hij vloog
verder door over de huizen aan de overkant van de Loudonstraat heen.
Daarna was het gewoon wachten op de knal. Die kwam dan ook vrij snel. Het
waren vrij grote dingen, niet ten onrechte vliegende bommen genoemd. Van
zo’n huis bleef niet echt veel over. Bovendien was er natuurlijk in de
hele buurt veel ruitschade en zo. Of er doden waren door die V1 weet
ik niet meer. Natuurlijk werd na zo’n misser onmiddellijk alles afgezet.
Er moesten mensen in de getroffen gebouwen geholpen worden, misschien
moest er gestut worden om verdere schade te beperken enzovoort. Maar
vooral mochten gewone burgers er niet bij komen, omdat het tenslotte
“geheime”wapens waren. Deze viel neer in de Hoekstraat in
Voorburg. Net aan de andere kant van de spoorlijn. Op een woonhuis
natuurlijk. Of de motor en de bom zelf ver uit elkaar terecht kwamen weet
ik niet meer precies, maar ik geloof het wel. Er staat me bij, dat er op
een open veldje, niet erg ver van de Hoekstraat af, later ook een flinke
krater te zien was. Dagen later, toen de buurt daar weer vrij
toegankelijk was, zijn we er natuurlijk gaan kijken, al vond mijn moeder
dat echt niet prettig. De V2 was een ander soort projectiel. Na de
oorlog zijn uit dingen zoals de V2 grote intercontinentale raketten en ook
ruimtevaart-raketten ontwikkeld. Daartoe hebben de Amerikanen dan
ook de bedenker van de V2, (ene Werner Von Braun) naar Amerika toe
gehaald. Hij werd NIET gezien als oorlogsmisdadiger. De V2 was in principe
een krombaan-bom. Hij werd vrijwel recht omhoog weggestuurd met een (veel
sterkere dan in de V1) raket. Daarna viel hij weer terug naar de aarde,
met de bedoeling dat hij dan ook ergens in Engeland terecht zou komen. Hoe
dat berekend werd weet ik niet. Maar ik denk dat ze daar toch al vrij ver
in waren. Ook V2’s waren ernstige dingen voor de Engelsen, die veel
schade aanrichtten. Per stuk was de vernietigende lading van een V2 groter
dan die van een V1. Daarom werden er ook met zoveel inzet aanvallen op de
lanceerbases gedaan.
Op de t.v. was op 9 April 2004 een uitzending over de geheime wapens van Adolf Hitler, de vliegende bommen. Omdat daarin nogal wat gegevens over die wapens werden vermeld, denk ik dat het (in aansluiting op mijn verhaaltje met dezelfde titel) aardig kan zijn dit nog op te schrijven.
Eerst de V2
De ontwikkeling van lange-afstands-raketten werd gedaan in Peenemünde, bij de Oostzee in Duitsland. Projectleider was Werner von Braun. In de t.v.-uitzending werd hij door nog levende medewerkers uit die tijd geroemd om zijn kennis, zijn leidinggevende capaciteiten en zijn sociale vaardigheden, met name het bezielen van zijn medewerkers, het hen laten geloven in het slagen van het project etc. De V2 had aanvankelijk de naam A IV. Het begon al veel eerder, met de A I, A II en A III. De A IV raket werd al vòòr het uitbreken van W.O. II ontwikkeld in 1937. Omdat het in die tijd nogal eens mis ging, raketten die gewoon omvielen in plaats van weg te vliegen enzo, had Hitler er eigenlijk weinig waardering voor. Er was, na twee jammerlijke mislukkingen, nog precies één proef toegestaan. Die derde proef slaagde volledig wèl. Maar het project was erg duur, waardoor het toch op een betrekkelijk laag pitje werd gezet. Het bedenken van de juiste vorm (stroomlijn) voor de raket bleek ook een zware opgave. Men had een grote grote windtunnel, die na veel missers uitwees, dat er staartvinnen nodig waren om de raket in zijn koers te houden. Pas toen er ook nog twee girokompassen in de neus werden gemonteerd bleek, dat men inderdaad de raket ergens “heen” kon sturen, zeg maar: kon programmeren. De leiding van het ontwikkelen van de raketmotor was toevertrouwd aan ene Hans Thiel, die een verbranding van vloeibare lucht samen met alcohol had bedacht. Eén van de proefraketten mislukte toch weer. Die viel ergens in Polen neer. Merkwaardigerwijs ontplofte het ding niet toen het vlak bij een rivier neerviel. Het Poolse verzet was er eerder bij dan de Duitsers. De verzetsmensen rolden het ding onder water in de rivier, waar het niet meer gevonden werd door de militairen.
Na geruime tijd is het door een Engels vliegtuig stiekem opgehaald, waardoor de Engelsen gealarmeerd werden over wat er inmiddels in Duitsland was bereikt. Een enorm bombardement volgde op Peenemünde. Daardoor werd de verdere ontwikkeling van de A IV wel ernstig vertraagd, maar Von Braun werkte steeds verder. In verband met de kans op nieuwe luchtaanvallen, en door de kleinere afstand naar Londen werd het commandocentrum voor de V2’s (Vergeldingswapen 2 heette de A IV inmiddels) verlegd naar Den Haag. Dit verklaart natuurlijk waarom er zoveel luchtaanvallen op onze stad (met name het Haagse Bos) kwamen. Nog heel goed herinner ik mij, dat vanaf het Staatsspoor-station (nu Den Haag Centraal) vrachtwagens met een sliertje rook er achteraan (kraan van vloeibare lucht, die niet helemaal sloot, denk ik) onder zware begeleiding van gewapende militairen, naar het Haagse bos reden. Dat was de plaats waar de V2’s startklaar werden gemaakt. Omdat de V2’s enorm hoog tot in de stratosfeer kwamen en vervolgens terugvielen op de aarde, bereikten ze enorme snelheden, die in de buurt van 5000 km per uur kwamen. Er is dan ook in W.O. II nooit een effectief afweersysteem tegen deze dingen bedacht. Iemand zei dat na de aanval het geluid van de ontploffing eerder te horen was dan het geluid van de gierend omlaag vallende bom. Van de 9000 V2’s waarover de Duitsers schijnen te hebben beschikt zijn er op Londen ongeveer 1140 neergekomen. Daarbij werden 500.000 huizen verwoest. Hoeveel doden daarbij vielen weet ik niet meer. Na de oorlog werd Werner van Braun met zijn staf door de Amerikanen ingezet in hun ruimtevaart programma, hoewel het aanvankelijk (ook) hun bedoeling was de V2 (onder een andere naam) tegen Japan in te zetten. Dit is door de ontwikkeling van de atoombom niet meer gedaan.
De
V1
De Luftwaffe had de slag om Engeland inmiddels had verloren en trachtte een goedkope maar effectieve methode te vinden waarmee aan de Engelsen nog veel schade toegebracht kon worden. Dit werd de V1, een heel ander apparaat dan de hierboven beschreven V2. De V1 werd aangedreven door een primitief soort straalmotor. Het was eigenlijk een klein vliegtuigje, dat richting Londen werd gestuurd en daar neerviel als de brandstof op was. Echt een doel vaststellen was ermee niet mogelijk. Er waren ongeveer 8000 V1’s beschikbaar. Daarvan zijn er 2400 inderdaad op Londen gevallen. Door V1’s vielen in Londen 24.000 doden. Tegen dit wapen bestonden na enige tijd verschillende afweermogelijkheden. Zo kwam er een radar-systeem waarmee kon worden berekend waar het ding ongeveer moest neerkomen. De kunst was, te proberen vòòr dat moment het ding kapot te schieten. Door de bekende baan werd het luchtafweergeschut veel beter aanstuurbaar. Dat lukte dan ook veelal. Bovendien had de R.A.F. inmiddels geen “last” meer van de Luftwaffe, zodat ook de jachtvliegtuigen, Spitfires en de Hurricanes, ingezet konden worden om de V1’s aan te vallen. Probleem daarbij was, dat die bommen eigenlijk klein van stuk waren en dat ze moeilijk “in te halen” waren, door hun straalmotortje. Behalve neerschieten kon de R.A.F ze ook met een zetje onder een vleugel uit hun koers brengen, zodat ze de stad Londen niet meer zouden halen. Mensen die het in Londen meegemaakt hebben vertelden, dat je het ding kon horen aankomen met een geluid als van een klein motorfietsje. Pas als het geluid ophield moest je snel maken dat je in een schuilplaats kwam. Van de V1’s werden, na de eerste verbijstering, ongeveer 6 van elke 7 afgeschoten voordat ze Londen bereikten. Er zijn later ook V1’s op Antwerpen afgeschoten, dat een belangrijke aanvoerhaven voor de geallieerden was geworden.
Hoewel het dus met de vliegende bommen niet gelukt is de Engelsen op hun knieën te krijgen, schijnt Generaal Eisenhower, de commandant van alle geallieerde troepen in Europa, naderhand gezegd te hebben: “Als de Duitsers niet Londen als doelwit voor hun V-wapens hadden gekozen, maar verschillende Engelse havens, is het te betwijfelen dat de invasie in Normandië ooit zou zijn gelukt”.
Doordat de Moffen vrijwel alle mannen in hun eigen land hadden verplicht om in het leger te gaan, was er in Duitsland een grote behoefte aan arbeidskrachten voor de oorlogs-industrie. Dit probleem kon onmogelijk worden opgelost door nog meer (Duitse) vrouwen in de fabrieken te gaan laten werken. Die vrouwen hadden het toch al bijzonder moeilijk omdat ze het in de oorlog alleen moesten zien te rooien, terwijl hun mannen over de hele wereld soldaat moesten zijn. Bovendien was het noodzakelijk om erg veel producten te maken die alleen voor de oorlogvoering bedoeld waren. De gewone mensen hadden dus niet veel te besteden.
Dan waren er ook nog op heel veel Duitse steden elke nacht bombardementen door de R.A.F of de Amerikanen, zodat veel huizen in puin lagen. Het was denk ik voor de gewone Duitsers al lang geen pretje meer, die oorlog.
Elke nacht, als we in bed lagen, hoorden we grote hoeveelheden bommenwerpers overvliegen naar hun doelen in Duitsland. Ze vlogen hoog over. Als ze boven ons waren hoorde je het monotone gebrom van de motoren. Naarmate ze verder naar het Oosten vlogen kwam er een tijdje, dat het geluid minder hard werd. Maar merkwaardigerwijze klonk het nog weer iets later weer duidelijker. Zo bleef dat een tijdje doorgaan, terwijl de geluidssterkte geleidelijk minder werd.
Pas veel later, op de middelbare school, werd dit verschijnsel aan mij duidelijk. Het was het zweven van het geluid. Als twee gelijke geluidsbronnen zich verplaatsen en een verschillende afstand hebben tot de waarnemer, is er een periode waarin de geluiden precies in tegenfase komen, waardoor het geluid voor de waarnemer minder duidelijk wordt. Als wat later de fase weer gelijk gaat lopen, wordt het geluid voor de waarnemer weer duidelijker.
Om meer mensen tot hun beschikking te krijgen werden grote groepen mannen in bezette gebieden, dus ook in Nederland, verplicht zich te melden voor de “Arbeits-Einsatz”. Het ging om mannen van achttien tot en met 45 jaar oud. Bij alle huizen in een bepaalde wijk of buurt werd dan een papier in de brievenbus gedaan waarop stond dat de mannen op die dag of de volgende dag zich met hun koffertje voor de deur van hun huis moesten opstellen. Dan werden ze in een “razzia”(een grote zoek- en ophaal-aktie, waarbij ook in de huizen werd gecontroleerd of er nog mannen waren) met grote legerwagens van de Moffen ze allemaal opgehaald en weggebracht per trein, naar Duitse industriegebieden, zoals het Ruhrgebied. Ze moesten dan in de fabrieken meewerken aan de productie. Meestal werden ze ondergebracht in grote kampen (dat waren dus géén concentratie-kampen, maar ze werden wel bewaakt) of in grote gebouwen die leeg stonden. Met natuurlijk het risico dat juist die gebouwen ook gebombardeerd zouden worden. Maar ja, dat was voor de Moffen geen probleem.
Het is te begrijpen dat de Nederlandse mannen niet stonden te trappelen om op die manier de Duitse productie op peil te houden. Sommigen kregen terecht een verklaring van hun dokter dat ze ziek waren en dus niet weg hoefden. Maar er waren er ook een heleboel die dan gingen “onderduiken”.
Dat betekende dat ze zich gingen verstoppen op een plaats waar de moffen ze waarschijnlijk niet gemakkelijk zouden vinden. Bijvoorbeeld waren er veel jonge mannen, die op het platteland bij een boer in de schuur mochten slapen en dan overdag, als het tenminste veilig was, meewerkten op het land of in de boerderij.
Natuurlijk waren er ook in dorpen en kleine steden verraders, die er op letten dat er geen vreemde mensen waren of werkten in boerderijen of kleine bedrijfjes. Als die verraders zoiets merkten waarschuwden ze de Duitsers, die dan met veel vertoon de boel kwamen inspecteren en de onderduikers die ze vonden meenamen. Soms kregen die dan straf, soms moesten ze alleen toch nog naar Duitsland om daar aan het werk te gaan. Ook de mensen waar ze onderdak gevonden hadden werden bestraft. Veel jonge mannen zochten na ontvangst van de oproep naar een kans om nog onder te duiken! Maar omdat het verkeer helemaal plat lag en door de Moffen en hun kompanen gecontroleerd werd, was dat vaak niet eenvoudig.
- 2 -
Zo werden dan ook heel wat mannen en jongens aangehouden en tegen hun zin in Duitsland ingezet om dat land draaiend te houden.
Schuin tegenover ons in de Sibergstraat, woonden Oom Jan Dekker (een neef van Papa) en tante Annie (de zuster van Mama) met hun zoontje Jan. Oom Jan had voor de oorlog in Indië gewerkt. Maar toen de Duitse inval in Nederland kwam was het gezinnetje met verlof in Nederland. Of ze nog naar Indië terug wilden weet ik niet. Maar het kon in elk geval niet meer. Daarom had Oom Jan een baan aangenomen bij het C.D.K. (Centraal Distributie Kantoor) in den Haag.
Het C.D.K. was een belangrijke dienst, die er voor moest zorgen dat het weinige voedsel dat er nog was eerlijk verdeeld werd onder de mensen. Dat gebeurde door middel van distributiekaarten waarop allerlei bonnetjes waren afgedrukt. Er waren bonnen voor brood, boter, melk, koffie thee, enz. Vaak moest je je echter tevreden stellen met “surrogaat”, dat was dan iets wat een beetje leek op het echte spul., maar vaak minder goed en vooral minder smakelijk was. Ook had je daarnaast nog “punten”. Die waren geldig voor textiel, kleding, schoenen enzo.
Elke persoon kreeg een distributiekaart. In de kranten en zo werd per week of per maand bekend gemaakt welke bonnen in die periode geldig waren. Het was natuurlijk een heel gedoe met al die bonnen. Bovendien was het elke keer als de nieuwe bonnen bekend gemaakt werden, zaak om snel naar de winkels te gaan. Want als je er niet vlug bij was waren allerlei dingen alweer uitverkocht wanneer je er om kwam vragen. De hoeveelheid die de winkels kregen was minder dan de hoeveelheid bonnen die in omloop waren. Dan zat je er naast. Jammer! “Volgende week zijn er weer nieuwe bonnen, mevrouw,”zei de winkelier dan. Want de bonnen die deze week geldig waren, vervielen de volgende week of de week daarna. Als je dus te laat was, was daar meestal niet veel meer aan te doen.
Oom Jan werkte dus bij het C.D.K. Ook daar waren natuurlijk allerlei Duitsers die toezicht moesten houden en die dan ook de baas waren.
Op een dag kwam de Duitser die de baas was van de afdeling waar Oom Jan werkte naar zijn bureau toe. Hij deed de deur achter zich dicht en vroeg hoe het ging. Na een kort gesprek zei hij: “U moet verdwijnen vanavond. Morgenochtend wordt in de buurt waar u woont een razzia gehouden. Als u dan thuis gevonden wordt, moet u naar Duitsland om daar te gaan werken.
Het zal duidelijk zijn, dat Oom Jan de man erg dankbaar was dat hij hem waarschuwde. Aan het eind van de werkdag ging Oom Jan naar huis, besprak de zaak met Tante Annie en met Papa en Mama. Toen pakte hij wat spullen in en ging weg, naar een onderduikadres dat voeger al eens was afgesproken. Na de oorlog hoorden we dat hij een hele tijd in Pijnakker was geweest. Gelukkig is het allemaal goed afgelopen.
Uit dit verhaal blikt, dat er ook goede Duitsers tussen zaten, hier en daar.
20070304
Zoals in het verhaal ‘Een goede Duitser’ werd verteld, moest Oom Jan Dekker onderduiken. Inderdaad werd er in de Loudonstraat de volgende ochtend een razzia gehouden. Er kwamen een paar leger-vrachtwagens met soldaten de straat in. De soldaten sprongen er uit. Vanaf een luidsprekerwagen werd omgeroepen dat alle mannen in de leeftijd van (meen ik) 18 tot en met 45 jaar voor de huisdeur moesten gaan staan met eten voor die dag en met kleding die ze nodig zouden hebben. Ze werden op transport gesteld naar Duitsland om daar te gaan werken (in de fabrieken voor de oorlogs-industrie).
Ondertussen reed een motorfiets met zijspan van de Wehrmacht rondjes in onze en omringende straten. Op het zijspan een luidspreker en een mitrailleur. Omgeroepen werd; “Alle menschen müssen in die Häuser bleiben; sonst wird geschossen!” Hier en daar verscheen iemand met een koffertje voor een huisdeur. Velen waren er niet meer; waren ondergedoken of hadden zich verstopt. Weinigen voelden er voor zich te laten afvoeren en zeker niet naar Duitsland, waar elke nacht enorme bombardementen werden uitgevoerd op de fabrieken om de oorlogsindustrie te verlammen. Wel kwam de zoon van Mevrouw Kievit tegenover ons naar buiten. Daar stond hij met zijn koffertje lijdzaam te wachten tot hij moest instappen in een van de vrachtwagens.
Kennelijk ging het niet naar de zin van de Moffen. Ze begonnen elk huis te controleren. Ook bij ons werd met geweerkolven op de deur gebonsd. Papa deed open. Twee (er bang uitziende) jonge soldaten met geweren kwamen in de gang. Zij controleerden Papa’s persoonsbewijs. Papa was al boven de grens van 45 jaar. Wel zeiden de Moffen eerst, dat er met het persoonbewijs geknoeid was; maar Papa legde uit dat -als hij geknoeid zou hebben zoals zij dachten- hij inmiddels over de honderd jaar zou zijn. Mama was een vrouw en wij kinderen waren natuurlijk nog veel te klein.
Mama werd kwaad toen een van de twee een opmerking maakte over “das schöne Mädchen” (Erica) dat met ons allen in de gang stond.
Toen wilden ze in alle (drie) kamers kijken of we daar niet mensen verborgen. De badkamer, midden in de gang, was een erg donker vertrekje, zonder ramen. Het licht werkte natuurlijk weer niet. De soldaat deed één stap naar binnen, zwaaide met een zaklantaren in het rond en deed weer snel die deur dicht. Hij leek opgelucht dat dat klaar was. Tenslotte vroegen ze wat er in het schuurtje in de tuin stond. Daar stond allerlei rommel, want we hadden in dat kleine huisje veel te weinig ruimte. Eén van de twee liep de tuin in, opende de schuurdeur, keek even in het rond en kwam meteen weer naar binnen. “Gut” zei hij. Met hun tweeën verdwenen ze snel naar het volgende huis. Even later werd een aantal mannen die geen kans hadden gezien tijdig onder te duiken of die in een van de huizen ontdekt waren, allemaal in de vrachtwagens geladen. De hele colonne vertrok uit de straat.
Toen de Moffen weg waren kwam iedereen direct naar buiten. Er werd gehuild, er werd kwaad gemurmeld en gepraat. Vuisten werden in de lucht gestoken en geschud. Maar er was niemand die er iets aan kon doen, dat de Moffen weer eens hun macht hadden gedemonstreerd en zo maar mensen hadden meegenomen.
20070306
Het
is nooit anders geweest, oma Berlijn was in ons leven een belangrijke figuur.
Mama had vermoedelijk altijd al veel steun van haar moeder gekregen. Maar in de
barre omstandigheden van de oorlog, toen iedereen door de spanningen van de
bezetting en door het gebrek aan vrijwel alles wat een mens nodig heeft om
verder te leven een zware periode doormaakte, was Oma Berlijn er altijd om op
ons te passen als Mama ergens heen moest (of wilde), of om te helpen in
moeilijke situaties. Vooral ook vooral ook later, na het overlijden van Papa,
zijn er veel tijden gewest dat Oma Berlijn bij ons in huis was.
Zo herinner ik mij (het moet geweest zijn op 10 Januari 1942), dat ik in de achterkamer van Oma’s huis in de Obrechtstraat stond te kijken hoe Oma bezig was haar lange haar (tot over haar middel) te borstelen. Eigenlijk was die kamer Oma’s slaapkamer en ik denk niet dat we in die periode ook in de Obrechtstraat “woonden”, zoals in de hongerwinter en na het bombardement een tijdje het geval was.
“Ja Fred,” zei Oma, “Mensen zeggen vaak: Ben je zestig? Waarmee ze dan bedoelen te vragen of je oud bent en dus niet meer helemaal meetelt. En nu ben ik vandaag echt zestig! Wat vind jij daar nou van?” Voor een jongetje van zeven jaar is dat een moeilijk te beantwoorden vraag. Ik weet ook echt niet meer wat ik precies gezegd heb. Wel weet ik nog, dat Oma kennelijk tevreden was met mijn antwoord. Ze draaide zich om en gaf me een dikke kus op mijn wang.
20070304
Op een ochtend, waarschijnlijk was het in Februari 1945, had ik er niet veel zin in. We hadden ons aangekleed. Het povere ontbijt van een nauwelijks belegd, erg dun, boterhammetje was natuurlijk heel snel opgegeten, en toen zei Mama dat we maar even buiten moesten gaan spelen. Daar had ik helemaal geen zin in. Maar ja, er moest in huis natuurlijk zo goed en zo kwaad als het ging wel iets aan kant gemaakt worden. Dus zin of geen zin, kleppers (houten zool met een paar bandjes van stof er op gespijkerd) aan en naar buiten.
De zon scheen een beetje “En dat is goed voor je”, zei Mama. Buiten waren ook andere kinderen Erica en Leo, maar ook denk ik Ireentje Koderitsch, die boven Jan Spek, dus op tweehoog boven de garage naast ons, woonde. Misschien was Jellie Spek er ook. Er werd een of ander spelletje gedaan. De kinderen renden wat heen en weer. Ik voelde me niet goed, ik had het erg koud en deed er niet aan mee. Daarom ging ik maar even op de trap van het portiek zitten, die naast het raam van Erica’s kamertje was, dat naast onze voordeur lag. Bah, wat had ik weinig zin om wat dan ook te doen! Ik leunde achterover tegen de stenen treden van de trap. Toen werd het me zwart voor de ogen.
Opeens hoorde ik de kinderen iets roepen. Daardoor kwam ik weer bij mijn positieven: “ Fred is ziek, hij is flauw gevallen!” Er werd meteen aangebeld bij onze voordeur.
Met grote schrik kwam Mama naar buiten. Ze wist niet goed wat ze kon doen. Ik werd naar binnen gebracht en op een grote stoel gezet. Er was weinig te eten in huis. Een beetje op de Majo gewarmd water kreeg ik te drinken. Van de overkant van de straat kwam tante Annie aanhollen. Zij had pas (op 19 Januari) een baby gekregen en had in verband daarmee extra bonnen voor taptemelk. Tante Annie had in een pannetje haar taptemelk meegenomen en daarvan kreeg ik ook een kopje te drinken. Dat hielp gelukkig ook wel. Maar natuurlijk moest er óók nog wat taptemelk voor de baby (Dirk Dekker) overblijven. Want die was eigenlijk het best gekarakteriseerd als: Weinig vlees en verder veel botjes in een rimpelig wijd velletje. Waarschijnlijk heb ik toch ook nog iets te eten gekregen, al weet ik niet meer wat dat was en voor wie dat eigenlijk bestemd was. In elk geval heb ik het er goed af gebracht.
Later is er nog sprake van geweest, dat Erica en ik naar Friesland zouden worden gestuurd, omdat daar minder honger heerste dan bij ons. Hoe dat dan gekund had begrijp ik niet goed, want reizen was in die tijd een erg hachelijke onderneming. Maar Mama en Papa hebben er niet mee ingestemd dat we weg zouden gaan. Gelukkig duurde de oorlog daarna niet lang meer. Nog ongeveer drie maanden, voordat we bevrijd werden. Toen kreeg iedereen weer wat meer te eten en konden we weer een beetje minder mager worden.
17012006
3
maart 1945
Mijn broertje (Leo) en ik werden betrekkelijk vroeg wakker. Meestal werden
er door groepen jachtvliegtuigen aanvallen gedaan op de startbanen van de
V2-raketten, zodra het behoorlijk licht werd. Die vliegtuigen kwamen
aanvliegen en doken dan vanuit de richting waar de zon stond, naar de
raketbases, die in het Haagse Bos stonden. Ze vlogen daarbij dan over ons
huis heen. Soms vonden we ook hulzen van de boordkanonnen in onze tuin.
“Wat zijn ze vroeg, vandaag!” zeiden we tegen elkaar. Maar even later
begrepen we, dat er iets anders aan de hand was dan gewoonlijk. Het waren
zwaardere vliegtuigen. Bommenwerpers. En ze kwamen ook niet zoals de
jagers gewoonlijk in duikvlucht naar beneden, maar ze bleven behoorlijk op
hoogte vliegen.
Kort daarna hoorden we het dreunen van bommen, die de vliegtuigen
kennelijk uitgeworpen hadden. Er kwamen nog even later wolken overdrijven.
Dat bleken geen gewone wolken te zijn, maar rookwolken. Door de
lucht kwam een brandende krant in onze tuin terecht. De rookwolken werden
zwarter en zwarter. Papa en Mama brachten ons naar de gang van het
benedenhuis waar we toen woonden. De kinderen moesten alle drie onder de
trap gaan zitten, omdat men altijd zei dat een trap een relatief sterk
element in een huis was. Mama haalde uit de keuken tevoorschijn wat er nog
aan eten in huis was.
Dat was natuurlijk heel weinig, want eten was bijna niet te koop.
(Bijvoorbeeld had op de distributie-bonnen elke persoon recht op een half
brood in de week. Warm eten was vrijwel uitsluitend te krijgen via de
centrale keuken of de “gaarkeuken” zoals hij meestal werd genoemd.
Daar kreeg je per persoon, ook al op vertoon van bonnen, een schep soep -
die er meestal uit zag als afwaswater na de afwas- of een schep stamppot
-waardoor je wel wat meer substantie in je pannetje kreeg, maar die er dan
vaak uitzag als dunne soep.) Maar nu, met het vooruitzicht dat het wel
eens gauw afgelopen kon zijn met ons allemaal, mochten we eten wat er was.
Dat betekende, dat we ieder wel drie boterhammen kregen. En omdat we
altijd honger hadden, was dat in elk geval een enorme meevaller.
Papa en Mama overlegden, hoe we uit de ellende zouden kunnen komen, ook
wanneer de vliegtuigen weer vertrokken zouden zijn. En toen werd er
gebeld! Bellen was altijd schrikken, want je wist maar nooit of de
Duitsers voor de deur stonden met wie weet welke rare opdrachten of
verzinsels. Voor de deur stond Jan Spek, onze buurman. Hij deed iets (voor
mij onduidelijks) bij de lucht-bescherming en mijn vader had wel eens
laten vallen, dat hij zò goed geïnformeerd was, dat hij wel iets met het
verzet te maken kon hebben. Jan Spek was eigenaar van de garage, die naast
ons huis stond. In die garage was natuurlijk niet veel meer te doen, want
de meeste auto’s waren door de Duitsers gevorderd en de weinige die niet
gevorderd waren, hadden al lang geen benzine meer. Die reden dan op
“houtgas” dat werd opgewekt met behulp van een soort houtkachel die
voorop of achterop aan de bumper werd bevestigd.
Vandaag bleek Jan Spek voor ons een soort wonderdoener!! Van achter een
zorgvuldig opgebouwd scherm achterin zijn garage, “toverde” hij een
Chevrolet bestelwagen tevoorschijn, waar (hoe kan het) ook nog benzine in
zat. Jan vertelde dat hij deze auto voor noodgevallen al lang geleden had
verstopt, maar dat het nu een noodgeval was. De hele lucht boven ons was
inderdaad donker van de rook. Het brandde (en niet ver weg) duidelijk
heftig en het stonk naar brand. Jan Spek, zijn vrouw, zijn dochter (Jellie),
en hun baby en gingen er nu vandoor. Maar omdat mijn vader vaak ziekelijk
was, bood hij aan dat wij met de auto mee mochten, den Haag uit, naar
Voorburg. Meer mensen bemoeiden zich er mee. Mevrouw Kievit, van de
overkant en haar zoon mochten óók mee. Mama begon te zeuren over haar
zuster Annie, die 19 januari (dat was dus een paar weken geleden) een baby
had gekregen. Ik weet niet zeker meer of Oom Jan Dekker, met wie Tante
Annie getrouwd was, in den Haag was. Ik denk dat hij was ondergedoken,
omdat de Duitsers alle mannen van bepaalde leeftijdsgroepen bevolen hadden
naar Duitsland te gaan, om te werken in de oorlogsindustrie. In elk
geval mocht Tante Annie met haar zoontje Jan en de baby ook mee. Dat
betekent, dat er inmiddels 14 personen, van wie 6 volwassenen waren, die
in de auto moesten. Het was erg vol. Voorzichtig reed Jan Spek de
Loudonstraat uit, naar het Stuyvesantplein. Driekwart om dat pleintje heen
moesten we naar de Stuyvesantstraat, die schuin in de richting liep van
het spoorviaduct, waar we onderdoor moesten om den Haag te verlaten.
Op het Stuyvesantplein zag ik vanuit de auto dat aan het andere eind van
de Juliana van Stolberglaan, voorbij het kruispunt met de Laan van Nieuw
Oost-Indië, de huizen allemaal in brand stonden. Het waren huizen van
parterre, twee verdiepingen en daarboven nog een zolderverdieping. Op de
hoek van de Laan van Nieuw Oost-Indië en de Juliana van Stolberglaan was
een speelgoedwinkel, die voor ons als kinderen natuurlijk altijd
interessant was. De vlammen stonden er net zo hoog op als het huis zelf
hoog was. Dat vergeet ik nooit meer. Langzaam reed Jan Spek met zijn
zwaar overladen wagen de Stuyvesantstraat in. Ook hier zagen we in de
zijstraten huizen die kapot waren en in brand stonden. Er lagen bergen
gebroken ruiten op straat. Dat de auto geen lekke band kreeg heb ik nooit
begrepen. Wel herinner ik me, dat ik steeds meer het gevoel kreeg dat we
haast moesten maken. Die branden en de chaos om ons heen waren toch wel
erg beangstigend.
Bij het spoorviaduct waar we onderdoor moesten, komen verschillende
straten bij elkaar: De Schenkkade (van twee kanten), de Stuyvesantstraat,
de Louise de Colignystraat, (die beide daar schuin naar toe lopen) en dan
haaks op de Schenkkade, tussen de laatste twee straten in, de Laan van
Nieuw Oost-Indië. Het zal geen betoog hoeven, dat het er een gedrang van
jewelste was. Iedereen moest en zou den Haag uit, via die smalle doorgang!
We hadden enorm geluk, dat we in die auto zaten. Jan Spek drukte zachtjes
door tussen allerlei mensen, die met koffers, met karretjes, fietsen,
kinderwagens en wat niet al, probeerden zo vlug mogelijk in het veilige
Voorburg te komen, aan de andere kant van de spoorbaan.
We kwamen er zonder grote problemen uit!
“Waar moeten jullie zijn?” Vroeg Jan Spek, zodra we uit de grootste
drukte waren. “Breng ons maar naar de Westerlokade, daar woont een
collega van mij ”, zei mijn vader. En ja hoor, op de Westerlokade
stond de familie Breukel, al op straat toen ze ons zagen aankomen. “Kom
gauw binnen,” was alles wat ze zeiden. We werden heel
gastvrij opgenomen in hun huis. Ook een zuster van meneer of mevrouw
Breukel, die in het Bezuidenhout woonde, kwam al gauw bij hen aan. Die
avond, toen we allemaal wat verdwaasd, maar toch blij dat we het er goed
af gebracht hadden, bij elkaar in de woonkamer van de Breukels zaten,
vroeg mijn vader aan mijn moeder: “Waar is je vluchtkoffertje?”
Dat had ze in de haast van het vertrek uit de Loudonstraat natuurlijk
vergeten mee te nemen.
We zijn daar enkele dagen gebleven. Daarna gingen we naar de
Obrechtstraat, waar mijn Oma (Berlijn) en oom Gerard en Tante Zus woonden
met hun twee kinderen. Ook in dat (boven)huis was het nogal vol. Op de
eerste etage (waar eigenlijk alleen Oma woonde) zaten Oma en ons gezin van
vijf personen. Op de tweede etage verbleven Oom Gerard, Tante Zus, hun
twee kinderen, Tante Annie, (later ook) Oom Jan en hun twee kinderen. Ook
daar zaten we dus met ons veertienen.
Na het bombardement (volgt later)
Voedseldroppings (volgt later)
Na de oorlog
Veel weet ik er niet meer van, maar op die dag, 5 Mei 1945, gonsde het overal door de straten:
Duitse troepen in Nederland hebben gecapituleerd!!!
Het was in het begin van de avond. Jan Spek, de man van de garage naast ons, die ook boven die garage woonde met zijn gezin, kwam het vertellen. Hij was, denk ik in het verzet geweest en/of hij luisterde naar de Engelse radio. Maar als Jan Spek het wist, dan klopte het meestal wel.
Het was nog licht buiten en iedereen scheen het al te weten. Wij gingen ook de straat op. Papa, Mama, Erica, Leo en ik waren denk ik verbaasd. Mensen durfden zich kennelijk nog niet erg te uiten. Het was dan ook jarenlang gevaarlijk geweest om dingen te zeggen en zeker om te laten weten dat je het ergens wel of niet mee eens was. Maar nu gaven de mensen elkaar een hand of zoenden ze elkaar. Opmerkelijk was ook, dat er geen politie en zeker geen Duitsers waren of kwamen.
Iedereen was opgelucht. We hadden wel denk ik al enig eten gekregen van de voedseldroppings met de Engelse bommenwerpers, maar iedereen had natuurlijk nog steeds erge honger. En iedereen was blij!
Mama ging, toen we naderhand weer naar binnen waren gegaan, eten maken. Ze had de hele oorlog door één pakje rijst bewaard, voor als de oorlog over was. Dat was nu dus het geval.
Nu konden we, zij het dat de bereiding nog steeds met de majo moest gebeuren op dat heel kleine vuurtje, ons bevrijdingsmaal gaan eten. En dat deden we natuurlijk met overgave. Hoe Mama het klaar maakte weet ik niet. Melk was er natuurlijk helemaal niet. Welke andere ingredienten ze gebruikt heeft is me ook totaal onduidelijk, maar het smaakte ons erg goed. We gingen niet vroeg naar bed. Wel haalde Papa de Nederlandse vlag te voorschijn. De volgende morgen ging die vlag ook uit.
In de dagen die daarna kwamen gebeurden er nog allerlei dingen. Op straat kwamen mannen in blauwe overalls met een armband om hun bovenarm: B.S. Dat betekende “Binnenlandse Strijdkrachten”. Ze hadden bijna allemaal een stengun.Speelden een beetje politie en arresteerden hier en daar mensen op die NSB-er waren of die met de Moffen geheuld hadden. De gewone politie was namelijk ook “verdacht” omdat ze misschien met de Moffen samengewerkt hadden.
Bijvoorbeeld was er een jongen, Piet Pistor, die bij Erica in de klas had gezeten op het Maelant-lyceum. De moeder van die jongen was een Duitse. Die mevrouw had ons altijd bezworen dat ze met de Nazis niets te maken had of wilde hebben. Om één of andere reden waren Erica en Piet bevriend geraakt en ook gedurende de hongerwinter gebleven. Een paar dagen na de bevrijding zou ik even naar Piet Pistor. Misschien moest ik een geleend boek terugbrengen, of iets vragen. Dat weet ik niet precies meer. In de Juliana van Stolberglaan, waar hij woonde, ging ik de trap van het portiek op. Op de huisdeur was een groot papier geplakt, dat de B.S. de bewoners gearresteerd hadden en het huis in beslag genomen en verzegeld hadden.
Daar schrok ik toch wel heel erg van. Mevrouw Pistor had altijd gezegd dat ze niet “fout” was. Hoe zat dat nu? Mijn ouders en Erica schrokken natuurlijk ook. Ze gingen direct kijken bij dat huis. Maar ik had me niet vergist. Hoe het met Piet en zijn moeder is afgelopen weet ik helemaal niet meer. Ik denk dat we ze nooit meer terug gezien hebben.
Wat er verder gebeurde, kort na de bevrijding was, dat mensen als het ware wraak gingen nemen op anderen die tijdens de bezetting met de Moffen geheuld hadden. Zo was de familie Kip eigenaar van het kleine huisje waar we na de evacuatie hadden gewoond. De familie Kip woonde net om de hoek van onze straat in een bovenhuis. Zij vonden de Moffen niet zo slecht. Hun dochter, die denk ik 17 of 18 jaar was, was ook wel eens uit gegaan met Duitse soldaten. Dat meisje was door mensen uit de buurt op een bakfiets gezet en vervolgens helemaal kaal geknipt huilend rond gereden door de straten. Op haar kale hoofd hadden ze een groot hakenkruis geverfd. Het was niet leuk om te zien. Mama was er erg ontdaan over. Maar je kon er als enkeling ook weinig aan doen dat die groep mensen zo tegen en met dat meisje tekeer gingen. Overigens denk ik niet dat ze er erge gevolgen van over gehouden heeft. Misschien was Papa weer ziek toen. Ik herinner me niet dat hij zich er mee bemoeid heeft.
05012006
Kort na de bevrijding bleef het maar gonzen: De Canadezen komen er aan! Iedereen wilde natuurlijk die bevrijders van ons zelf zien. En er was maar één plaats waar dat te verwachten was, namelijk de weg vanuit Utrecht. Zo gingen Mama en wij, waarschijnlijk was Erica er ook bij, naar de Laan van Nieuw oost Einde, juist onder het viaduct van de trein door naar Voorburg, waar we ze goed zouden kunnen zien. Er ztonden heel wat mensen te kijken. Maar er gebeurde eigenlijk niets. Af en toe kwam er iemand (die het geluk had gehad dat zijn fiets niet gevorderd of gestolen was) op zo’n vervoermiddel langs. Verder was er weinig verkeer, omdat niemand zich meer anders kon verplaatsen dan op zijn eigen voeten.
Na lang wachten was in de verte eindelijk het geluid van een motor te horen. Iedereen was vol verwachting. Het bleek een Mof op een motorfiets te zijn, die met grote snelheid langs ons heen reed in de richting van den Haag. In de menigte ontstond gemopper en wat ander gedoe. Maar echt die Mof uitschelden of zo durfden de mensen kennelijk nog niet.
Na ongeveer nog wel een ander half uur klonk er wéér geluid. Daar zou je ze nu toch hebben.
Er kwam een raar model auto’tje aan met een fladderend zeiltje er op. Heel wat anders dan de vrij grote vrachtwagens of sjieke personenauto’s waarin de Moffen zich altijd verplaatst hadden.
Hoewel ik nog slechts tien jaar was, dacht ik bij mezelf: “Nou, als dat het soort auto is, waarmee de geallieerden de oorlog gewonnen hebben, dan valt me dit wagentje wel erg tegen.
Verder hebben we géén grote hoeveelheden militairen en colonnes trucks gezien, die dag. Teleurgesteld ging iedereen weer naar huis. Pas later, toen er weer wat tijdschriften kwamen, las ik in de Kijk dat dit nu de jeep was. Een geweldig wapen in de oorlog, waarmee je van alles kon doen, dat overal kon komen enzovoort. Daarmee was de jeep in mijn ogen wel gerehabiliteerd.
Geruime tijd later kwamen ze wèl! Door onze straat (de Loudonstraat) kwamen wel denk ik een stuk of twintig trucks, die schuin tegenover ons de Sibergstraat in gingen en vervolgens weer links af de Van Reesstraat in. De Van Reesstraat is een klein straatje, waar nauwelijks verkeer door komt.
Aan het einde van de straat werd een truck dwars op de straat geparkeerd. Alle andere wagens reden er in en aan onze kant van de straat werd eveneens een truck dwars over de weg gezet. De mannen die er in zaten kregen kennelijk vergunning om rond te lopen enzo. Uit de buurt kwamen veel mensen, die met ze begonnen te praten. Ook wilden veel mensen dingen van ze kopen of hebben. Zo werden er sigaretten en chocolade geruild (want die waren ook allang niet meer te koop geweest) voor de gekste dingen. Eén van de soldaten zag ik aan een maat van hem tonen, dat hij al vier polshorloges om zijn arm had. Ook geruild voor tabak, chocola of andere begeerlijke dingen, die voor die soldaten heel gewoon waren, maar die we hier in den Haag al tijden lang niet meer gezien hadden. Ze zijn niet erg lang in de van Reesstraat gebleven. Na een paar uur klommen alle soldaten weer in hun wagens en vertrokken ze. Misschien moesten ze naar één van de kazernes in den Haag toe, die de Moffen inmiddels waarschijnlijk wel verlaten hadden. Of misschien kwamen ze alleen de Duitse soldaten als krijgsgevangenen ophalen.
05012006
Herstel maar ook einde van dingen (volgt later)
Onze
Canadees
Het was al na de bevrijding. Dat betekent dat het al verder in de maand
mei van 1945 was.
Natuurlijk werd elk militair voertuig dat in de buurt ontdekt werd, met
grote belangstelling door ons (en niet alleen de jongens) in de gaten
gehouden. Voornamelijk waren het 3-tonners van een betrekkelijk
“normaal” model van het merk Dodge. In de stad zag je natuurlijk meer
en allerlei verschillende types rijden. Maar de Dodges waren toch
goed vertegenwoordigd. Op een dag kwam er weer een door de Loudonstraat,
onze straat. Hij reed langzaam vanaf het Stuyvesantplein de straat in. Bij
het driehoekige pleintje dat gevormd werd op de kruising met de van
Lansbergenstraat en de Sibergstraat draaide de wagen om het pleintje heen
en stopte even. Toen reed hij vanaf dat pleintje de stoep op en bleef
precies voor onze deur staan. Er kwam een militair uit. Wij stonden met
open monden te kijken! De militair belde bij ons aan. Hoe kon dat? Wij
kenden immers helemaal geen Canadezen!
Het bleek een Nederlandse soldaat van de Prinses Irene-brigade te zijn.
Hij heette Bontko Drenth. Hij had de invasie meegemaakt, was op
Zuid-Beveland terecht gekomen en had daar kennis gemaakt met Mijn
Opa en Oma, Tante Gerrie en vooral ook met mijn nicht Addie, de dochter
van Tante Gerrie. Addie was in 1945 ongeveer 20 jaar, zij had
vanzelfsprekend (net als iedere Nederlander) belangstelling voor de
geallieerde soldaten. En die soldaten hadden ongetwijfeld ook wel
belangstelling voor Addie! Opa en Oma Visser hadden zolang als ik weet
gewoond in Vlissingen, aan de Boulevard Banckert. Vanuit hun raam kon je
altijd de schepen zien varen op de Westerschelde. Daarvoor had Opa
ook altijd een kijker op een statief in de kamer bij het raam staan. In de
oorlog was er op Walcheren van alles mis gegaan. Het eiland was zwaar
gebombardeerd door de geallieerden. Met het gevolg, dat het eiland vrijwel
helemaal onder water was komen te staan. Hoe dat precies verlopen is
weet ik niet, maar in elk geval waren Opa en Oma met hun inwonende dochter
Gerrie en hun kleindochter Addie naar Zuid-Beveland geevacueerd, waar ze
woonden in Heinkenszand. Het huis aan de Boulevard Banckert was in
puin. Misschien waren er bommen (van de Engelsen) op gevallen, of was het
huis gewoon beschoten tijdens de aanvallen vanuit Zeeuws-Vlaanderen.
Vlissingen was wel een kleine haven, maar toch een haven. En de
Duitsers hebben Walcheren niet zò maar laten veroveren. Er is harde
strijd om geleverd.
Dicht bij het huisje in Heinkenszand stond kort voor de bevrijding
een batterij vrij zwaar geschut, van waaruit langdurig geschoten werd op
mij onbekende doelen. Wel weet ik nog, dat Opa en Oma veel granaathulzen
hadden verzameld. Die hulzen waren ongeveer 10 cm in doorsnee en denk ik
zowat 45 cm hoog. Gemaakt van koper (messing). Iedereen in de
familie heeft later wel een aantal van die hulzen van Opa en Oma gekregen.
Het was wel te verwachten, dat de soldaten, die die kanonnen bemanden, ook
wel eens een praatje maakten met de mensen uit de buurt. Op de plek waar
ze waren werd niet (meer) gevochten. Zo kwam er contact met mijn Opa, Oma
en Tante Gerrie en Addie. Toen ze later overgeplaatst werden naar den Haag
had Bontko de vraag om bij ons eens te gaan kijken hoe het ging, of we nog
leefden en zo, in zijn oor geknoopt. Dat was er de reden voor dat hij ons
een aantal keren bezocht heeft. Het was een aardige jongen. Wij (Leo en
ik) mochten altijd in zijn vrachtwagen zitten als hij bij ons was. We
hebben de hele straat vele malen bij elkaar getoeterd! De claxon van die
wagen kon Bontko namelijk niet af zetten als hij het contact uit deed.
Voor ons als jongens was het een heel bijzondere omstandigheid, dat we
“een eigen Canadees” hadden. We ontleenden daaraan in de buurt een
zekere status!
Om nog even op de hulzen van Opa en Oma terug te komen, koper was een
materiaal waaraan de Duitsers grote behoefte hadden. De toevoer van ertsen
naar Duitsland toe was door de invasie natuurlijk helemaal plat komen te
liggen. Zo hadden ze alle Nederlanders verplicht om al hun koperen
voorwerpen, wat het ook was, in te leveren, om er ook oorlogstuig van te
kunnen maken. Veel mensen hadden allerlei spullen in de tuin begraven
of weggestopt. Maar dat was wel gevaarlijk, want als je helemaal niets
kwam inleveren, kwamen ze bij je in huis controleren of je werkelijk niets
van koper bezat. Vonden ze dan toch nog dingen, dan kreeg je straf.
Misschien werd je gearresteerd, tot een boete veroordeeld of in de
gevangenis gezet. Als ze in je huis dan andere “verboden dingen” zoals
een radio, misschien illegale krantjes, “zwarte handel” of je weet
nooit wat, vonden moest je wellicht naar een concentratiekamp.
Het was na de oorlog de gewoonte onder jongens, om oorlogstuig te
verzamelen. Daaraan deed ik natuurlijk ook mee. Nu was het
niet helemaal zonder gevaar, omdat sommigen met nog bruikbaar spul gingen
zitten spelen en prutsen. Zo zat op een dag bij Erica in de klas, tijdens
de les, Guus van Kan met een passerpunt in een ontsteking van een mijn te
hannesen. Dat ding ontplofte toen. Grote schrik! Ruit van de klas er
uit! Vingers van de ene hand van die stommerd er af. Consternatie van
jewelste in de hele school.
Voor mezelf weet ik, dat ik nooit echt gevaarlijke stunts heb uitgehaald.
Maar het was wel mooi om veel te hebben! Jammer genoeg heeft mijn moeder
ooit, toen er weer eens een actie van de (Nederlandse) politie was om
“gevaarlijk oorlogstuig” in te leveren (zonder strafvervolging), de
politie opgebeld en al mijn spullen aan die dienders meegegeven. Ik
had van alles, veel hulzen van geweerpatronen van het Nederlandse
leger in 1940, van de Duitsers (na de oorlog gevonden, bijvoorbeeld in het
Haagse Bos), met klemmen gekoppelde hulzen, die als “band” in een
mitrailleur gebruikt konden worden , enkele nog niet gebruikte geweer- en
ook pistoolpatronen, hulzen van boordkanonnen van de jagers, die
over ons huis vlogen, hulzen van die kanonnen in Heinkenszand, en ik had
(gekregen van Oom Joop, een broer van mijn moeder), een echte stengun.
Mijn moeder was niet zo’n flinkerd en ze heeft toen achter mijn rug om
alles wat ik had meegegeven aan de politie. Daar was ik echt niet blij
mee!! Ook Opa’s kanonhulzen zijn bij die gelegenheid verdwenen.
Kort na de bevrijding keerde de rust een beetje terug. Mensen waren blij, er werden (met de weinige beschikbare middelen) feesten georganiseerd. Iedereen dacht dat nu “alles weer werd zoals het vroeger was geweest”. Het zou, achteraf bezien, natuurlijk niet goed geweest zijn als alles weer in oude banen geleid was. De ervaringen in de oorlog, de enorme technische ontwikkelingen maakten het nodig dat mensen zich gingen richten op nieuwe mogelijkheden en nieuwe wensen.
Voorlopig was het met de voedselvoorziening ook nog niet goed. Weliswaar kregen we geleidelijk meer eten toegewezen, maar overvloed was er beslist nog niet. Uit die tijd herinner ik me nog, dat veel eten in blik werd verstrekt. “Meat and Vegetables” stond er bijvoorbeeld op, of “Corned beef”.
Dat waren dan voor veel Nederlanders ook de eerste lessen Engels die ze kregen. Wat in zo’n blikje zat was minder belangrijk, als het maar lekker was! Ook kwam er weer chocola en af en toe fruit dat we konden eten. Geweldig.
Op een dag was ik aan het spelen in de voorkamer, toen er plotseling een fiets tegen de muur werd gezet. De dreiging van onverwachte dingen was nog zo groot, dat ik eerst schrok. Toen keek er iemand door het raam. Dat bleek Oom Loe (Leo) te zijn, de oudste broer van mijn moeder, die met zijn gezin in Deventer woonde.
De mensen in het Oosten van het land hadden natuurlijk wel gehoord van de slechte voedsel-situatie in het Westen, maar zolang de oorlog duurde waren er geen mogelijkheden om contact op te nemen met ver weg wonende familieleden.
Oom Loe was dus op de fiets uit Deventer gekomen met 14 broden in zijn fietstas, om ons een beetje te helpen. Hoe hij aan al dat brood gekomen was weet ik niet. Ook in Overijssel was distributie. Maar hij had het wel! Hij was van plan om die broden te verdelen tussen ons, Tante Annie en Oom Jan (die schuin tegenover ons woonden), Oom Gerard (broer van Oom Loe en Mama) en Oma Berlijn. We waren er ontzettend blij mee.
De jongste broer Joop en zijn vrouw Thea woonden tijdens het laatste deel van de oorlog in Arnhem. Bij de mislukte aanval op die stad om de bruggen over de rivieren in handen te krijgen waren ze gevlucht. Lopend (met baby Frank in de kinderwagen) waren ze weggetrokken van de gevechten. Op een avond waren ze in Putten aangekomen. Waarom is me niet bekend, maar ze besloten verder te trekken naar een ander dorp. Dat was een goed besluit. Diezelfde nacht, nadat ze vertrokken waren, kwamen de Moffen wraak nemen op Putten, omdat een hoge officier door verzetsmensen was doodgeschoten. Alle mannen werden gevangen genomen, velen werden doodgeschoten en anderen weggevoerd. Daarna werd het hele dorp in brand gestoken. Ze hadden toen dus veel geluk!
Oom Loe (onze favoriete Oom) was natuurlijk een beetje moe van al dat fietsen. Hij bleef dus een paar uren voordat hij verder de stad in ging. Elk van ons kreeg een héél bruin brood!
Op de rantsoenbonnen was het de laatste tijd zo geweest dat iedereen recht had op 400 gram brood (een half brood dus) in de week. Wij waren erg verbaasd te horen, dat we net zoveel boterhammen van ons brood mochten eten als we lustten. Het ging niet helemaal op, ook al was er nauwelijks beleg, maar er bleef niet erg veel van over. De volgende morgen hadden we in elk geval ontbijt.
Gelukkig werd de situatie langzamerhand beter.
Overigens herinner ik mij nog wel dat later, misschien wel een jaar later, toen we al geruime tijd in de de Sillestraat woonden, de voedseldistributie nog steeds bestond. Eens vond ik een distributie-kaart op straat. Kennelijk door iemand verloren. Er zaten nog de geldige koffiebonnen voor de periode op. We hadden toen ineens de mogelijkheid om veel echte koffie te kopen. Teruggeven van een gevonden schat was in die tijd niet bij ons opgekomen.
06012006
Deze school werd gesticht als Tweede Gemeentelijk Gymnasium van Den Haag.
Tegen de tijd dat wij er aan toe waren om daar onderwijs te gaan volgen was de “ombouw” naar een lyceum al achter de rug. De opleidingen op een lyceum heetten (toen al) v.w.o. voorbereidend wetenschappelijk onderwijs. Dit lyceum bestond uit een éénjarige onderbouw, met daarna de keuze voor ofwel gymnasium (een schooltype dat ook nu nog bestaat) met een totale opleidingsduur van 6 jaar, ofwel de Hogere Burger School, kortweg H.B.S., met een totale opleidingsduur van 5 jaar.
Het gymnasium kent een α-richting en een β-richting. Deze laatste is de meest brede en dan ook zwaarste middelbare opleiding die in Nederland bestaat.
De H.B.S. had keuze uit een A-richting (administratief gertint) en een B-richting (wis- en natuurkundig gericht). In feite werd de A-richting op het Maerlant-lyceum niet aangeboden. De H.B.S. is later opgevolgd door het Atheneum, dat een 1 jaar langere opleidingsduur heeft. Mijn zusje Erica had al meteen gekozen voor gymnasium-β. Dat heeft zij ook afgerond met haar diploma. Omdat ik al geruime tijd van plan was om de techniek in te gaan (voorbeeld van mijn vader volgend) leek het mij beter voor de H.B.S. te kiezen. Dat werd dus op Maerlant automatisch H.B.S.-B. Ook is dat gelukt, in 1951 haalde ik het eindexamen.
De tijd die ik op het Maerlant-lyceum doorbracht is in mijn geheugen (ondanks de weinig florissante situatie waarin mijn moeder en wij terecht gekomen waren) gebleven als een heerlijke tijd, waaraan ik met plezier terugdenk.
De school kende als schoolvereniging “Jacob van Maerlant”, er was een schoolkrant Viginibus Puerisque Canto (dat betekent: Voor maagden en voor knapen zing ik) en in het kader vaan die vereniging werden er allerlei aktiviteiten ontwikkeld. Culturele dingen, excursies, sportwedstrijden (ook tegen andere scholen) enz. Enkele jaren was ik bijvoorbeeld leider van de Kantine-commissie, die er voor moest zorgen dat op de school (feest-)avonden er iets te drinken en te eten was voor de bezoekers. Daartoe sloegen we dan kratjes limonade in, maar ook bijvoorbeeld kroketten, gebakjes etc.
Ook voor overblijvers deden we wel dingen. Het was niet de bedoeling om echt winst te maken, maar we moesten natuurlijk weel zorgen, dat er over het jaar gezien niet geld bijgelegd hoefde te worden, want de schoolvereniging was niet “rijk”.
Op de propaganda-avond aan het begin van een schooljaar, die er toe moest dienen alle (vooral de nieuwe) leerlingen lid te maken van de schoolvereniging, werden allerlei activiteiten van de vereniging belicht. Als Kantine-commissie zongen we eens een lied op de wijze van “Dit was negen heit de Klok”, een toen erg populair radio-programma van de KRO. Van de tekst weet ik niet alles meer, maar onder andere kwam er in voor:
“Wij zijn het kantine-stel, we zorgen voor een lekker hapje eten,
“Wij zijn het kantine-stel, het drinken wordt natuurlijk niet vergeten”…. ,
“Wordt het straks een beetje laat, en zou een hartig hapje u wel lijken,
Kom dan voor u verder gaat, maar weer een keer in de kantine kijken,
We hebben dan kriketten voor uw hongerige maag,
En ook een zakje zoutjes lust u strakas toch zker graag…
´t Is alles lekker en niet duur, dus kom wat eten snel,
Wij zijn het kantine-stel, met Coca cola,
Wij zijn het kantine-stel, met fijne repen,
Wij zijn het kantine-stel, …….” enz.
Voorts schreef ik af en toe een verhaaltje in de schoolkrant. In die tijd, waarin de mentale druk van de oorlog de mensen van de schouders genomen was, was een reeks boeken populair van Leonard Huizinga. Die handelde over een dwaze tweeling (Adriaan en Olivier) die een behoorlijk fortuin erfden en een groot huis. Waar ze gingen wonen en de meest doldwaze avonturen beleefden.
Stukjes die ik schreef waren een poging om “even leuk” te zijn als Huizinga. De teksten zijn niet bewaard gebleven, dus in hoeverre ik er in geslaagd ben weet ik niet meer. Maar ik heb daarover nu wel twijfels. De ondertekening van mijn stukjes was steeds Adrianus.
- 2 -
In de eerste tijd na de oorlog was aan vrijwel alles in Nederland gebrek. Zo werd besloten de schoolgebouwen, intensiever te gebruiken, om in de winter verwarmingskosten te besparen. Onze school moest zich in verband daarmee ook behelpen met lessen in het gebouw van de H.B.S. aan de Raamstraat, waar die eigen school ’s morgens vroeg en onze school in de middag lokalen toegewezen kreeg. Dat we daar les kregen weet ik nog wel. Of we toen in de Obrechtstraat of al in de de Sillestraat woonden weet ik niet meer. Als dat laatste het geval was, denk ik dat we met de tram naar school moesten. Anders was het waarschijnlijk te ver. Hoe lang dat geduurd heeft weet ik niet meer precies, maar het was niet eenvoudig, omdat je altijd op wat rare tijden naar en van school moest.
Naderhand werden de normale roosters weer gehanteerd, waardoor we in de Bildersstraat gewoon les kregen van Maandag tot en met Zaterdag van 08.30 uur tot 13.00, op Woensdag ook van 14.30 tot 17.00 en in de hogere klassen ook nog op Vrijdag van 14.30 tot 16.10 uur.
We woonden toen in de de Sillestraat. Elke dag moesten we dus lopen naar en van school, een afstand van ongeveer 2,5 km. Erica was de enige die in het begin een fiets had en dus kon rijden. Later had ik ook een fiets tot mijn beschikking, zodat het gemakkelijker werd. Elke morgen kwamen bij ons voor de deur Robert Brugman en Aad Beerens, die bij mij in de klas zaten en bij ons in de buurt woonden, vanwaar we dan gezamenlijk naar school reden. Als sein dat ze er waren hadden we afgesproken te fluiten, de eerste maten van “Walking and whistling blues” dat stond op de B-kant van een grammofoonplaats van Les Paul en Mary Ford. Op de A-kant stond “How high the moon”. Die plaat was onze favoriet in die tijd.
De fiets die ik gebruikte was de oude fiets van Papa, die heelhuids de oorlog doorgekomen was, verstopt in het vochtige schuurtje van het huis in de Loudonstraat. Helaas was hem geen lang leven meer beschoren. Op een dag toen ik er gewoon op reed, ging ineens het voorwiel raar zwiebelen. De voorvork bleek bovenaan, bij het stuur genroken te zijn. Doorgeroest.
Mama heeft toen voor mij een andere fiets gekocht. Waar ze het geld vandaan gehaald heeft is me niet duidelijk. We moesten namelijk altijd erg zuinig zijn en elke cent drie keer omdraaien voordat we hem uitgaven. Maar die fiets kwam er wel.
Doortrapper (Na de oorlog)
Toen ik op het Maerlant-lyceum het baasje van de Kantine-commissie was, moest ik natuurlijk ook de nodige dingen bestellen en ophalen om de mensen die op feestavonden etc. kwamen enigszins leuke drankjes (géén alcohol) en eetwaren aan te kunnen bieden. Het was niet eenvoudig om de aantallen vast te stellen, maar in het algemeen kwamen we redelijk uit. Als we eens te veel hadden besteld, verdeelden we op de opruimdag (meestal de Zondag na een feest) waarbij de school weer netjes gemaakt moest worden, het overgeblevene onder degenen die zich als vrijwilliger gemeld hadden. Dat was in de praktijk natuurlijk ook een vast clubje, dezelfden die ook de versieringen en de inrichting van de zaal aangebracht hadden op de Vrijdagmiddag ervoor.
Aan die opruimdagen heb ik nog wel goede herinneringen. In je hoofd nog de klanken van de band, soms Dutch Swing College, soms andere min of meer bekende orkestjes. (Te) weinig geslapen (laat thuis, vroeg weer op). Lawaai van verslepen van stoelen, tafels en andere zware zaken. Praten over het feest, wie er waren, wie niet, hoe goed (of fout) het was geweest. Ga maar door. Meestal was het opruimen aan het begin van de middag wel klaar. Dan vlug naar huis, want er was natuurlijk nog huiswerk te doen.
Op de Maandag erna moesten dan ook de lege verpakkingen van drankjes, kratjes, flesjes er in, teruggebracht worden naar de leverancier. Vaak was dat Van Keulen, de vader van een van onze medescholieren, die in het Bezuidenhout een zaak in dranken had. Soms was het een brouwerij (Z.H.B.) in de stad.
Om die spullen op te halen en terug te brengen huurde ik meestal bakfiets. Tegenwoordig zie je ze niet veel meer, maar toen was het een veel gebruikt vervoermiddel. Er waren verschillende soorten van. Hoe beter de staat en de uitrusting van de bakfiets, hoe meer je aan huur kwijt was. En omdat ik het budget van de Kantine-commissie niet te zwaar wilde belasten, huurde ik meestal een goedkope.
Eens had ik een zogenaamde doortapper mee gekregen. Dat is dus een bakfiets die niet een vrijloop van de pedalen heeft. Dat wil zeggen dat -als je ophield met kracht zetten- de trappers gewoon mee bleven draaien met de wielen. Dat was niet prettig rijden. Bovendien was de enige rem van het ding een handrem met een hendel onder het zadel. Als je wilde remmen moest je dus met je benen het tempo van de trappers blijven volgen en met dat hendel de snelheid proberen te verminderen. Met een flinke partij kratjes Cola, Sinas enzovoorts, was de bakfiets vrij zwaar beladen. Ik kwam de Boslaan af en wilde de Josef Israelslaan in gaan op weg naar school. Een kruispunt dat toen natuurlijk nog niet zo druk was (tegenwoordig geregeld met verkeerslichten) moest ik oversteken. Vanuit de richting van de Dierentuin kwam een bus van de HTM aan. Natuurlijk probeerde ik te remmen, maar de bakfiets verloor weinig vaart. Toen besloot ik om te proberen nog tijdig voor de bus langs te gaan. Uit alle macht trapte ik op de pedalen. Inderdaad lukte het me om iets meer tempo te krijgen, maar eigenlijk niet genoeg. De bus toeterde lang en hard, maar ik had geen andere keus meer en trapte door. De bus remde hard! Alle passagiers zaten ineens voorin. Op ongeveer drie meter voor de bus langs schoot ik het kruispunt over.
Het lukte net! Maar toen was ik de controle over de bakfiets kwijt. Ik reed dwars de stoep op van wat toen nog `Petrolea` heette en knalde daar tegen de muur van het gebouw. Gelukkig bleven mijn kratjes staan. Er was één flesje kapot van de knal.
De bus was door gereden. Daarmee was ik erg blij, want anders had ik nog een probleem gekregen met die chauffeur en of met zijn passagiers.
Toen ik op school aankwam was ik nog een beetje rillerig van de schrik.
20061121
Werkzaam Leven
Seminar in Engeland (volgt later)
Aansluitend aan de militaire dienst kwam ik dus direct in opleiding tot taakanalist bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Een taakanalist moest een juiste beloning vaststellen voor werkzaamheden, die (door handarbeiders) in dienst van de overheid werden verricht. De opleiding duurde een half jaar, waarbij ook allerlei diensten en instellingen bezocht werden. In die tijd leerden we hoe het werk gedaan moest worden, welke methoden er waren om (na een gesprek met betrokkenen en met de leiding ter plaatse), de juiste waardering vast te stellen etc.
Hoewel ik als werktuigbouwkundige was aangenomen op grond van mijn technische kennis, werd ik na de opleiding direct ingedeeld bij een groep die de beloningen bij Staatsbosbeheer moest onderzoeken. Met mijn collega Harry Voorwinde (die al langer in het vak zat) bezochten we bosarbeiders op veel plaatsen op de Veluwe. Natuurlijk werkten die mensen midden in de bossen. We waren bang de vereiste productie niet te halen als we gebruik maakten van openbaar vervoer. We moesten dan langdurig lopen (en zoeken) waar de mensen om wie het ging precies aan het werk waren.
Na veel gepraat kreeg ik (als eerste taakanalist) toestemming om met een dienstauto zonder chauffeur op reis te gaan. Voorwinde had geen rijbewijs. Dus ik moest hem ergens in het bos afzetten, dan mijn eigen werk gaan doen en Harry na afloop weer ophalen of naar een volgende plek brengen.
De auto bleek een oude zwarte Chevrolet te zijn met kenteken PK 72-11, waar al gaten in de spatborden geroest zaten. Voor en achter stond met witte letters BZ, wat betekende dat het een auto van Binnenlandse Zaken was. De toegestane maximum-snelheid van die auto was: 80 km per uur. Het verbruik lag in de orde van grootte van één op zes. Tanken kon met een speciale blocnote met bonnen, zodat we gelukkig niets hoefden voor te schieten.
Het werk werd per week opgegeven. Dat betekent dat we op Maandagochtend op weg gingen, de week door werkten en op Vrijdagmiddag weer naar den Haag reden. Vier overnachtingen waren dus “vaste prik” . Omdat er toen al in de auto een tachograaf zat, kreeg ik na zo’n week ook steeds van de garagechef van BiZa op papier een beoordeling van mijn rijgedrag. Veelal was dat “goed gereden” of “uitstekend gereden”, soms “matig gereden”.
Het duurde niet lang of we hadden voor die auto een mooie naam bedacht: de zwarte tor!
Op een keer kwamen we voor het inleidende gesprek met de boswachter aan bij zijn kantoor.
Na afloop vroeg ik hoe ik het beste weer naar de “bewoonde wereld” kon rijden. De man wees: “Zelfde weg terug als jullie gekomen zijn.” Dat klopte niet. We hadden een klein plattegrondje van de boswachterij mee gekregen, en hadden daarop een klein weggetje gezien, dat ik ook genomen had. De boswachter vertelde toen dat dat weggetje niet te gebruiken was. Hij begreep niet dat we er door gekomen waren. “Elk weekend,” zei hj, “ staat mijn buurman (een boer) met zijn tractor klaar om de mensen die vast lopen op dat weggetje er weer uit te trekken tegen vergoeding van tien gulden. Daar heeft hij een aardige bijverdienste aan.”
Een andere keer kwam er brandalarm toen we bij de boswachter van Ugchelen zaten te praten. Iedereen moest mee helpen blussen. Wij dus ook. Ik had nog nooit een bosbrand gezien, laat staan er “in” gezeten. Het was angstaanjagend! Er kwam assistentie van brandweerkorpsen uit de buurt en ook van de vliegbasis dichtbij. Het duurde lang voordat de brand uit was. We waren juist weer terug in het kantoor van de boswachter, toen een bedremmelde vaandrig van de Luchtmacht kwam vragen of hij even met zijn baas mocht bellen. De dure motorspuit van de Basis was met een wiel in een kuil gereden, waarna ze hem er niet meer uit gekregen hadden. De mensen waren voor het vuur gevlucht en de wagen was helemaal uitgebrand. Geen leuke melding voor die jongen!
Toen ik die Vrijdag thuis kwam (ik was toen nog niet getrouwd) zei mijn moeder dat mijn kleding nog naar de brand stonk.
20060812
In die warme en lange zomer van 1959 gingen Harry Voorwinde en ik dus elke week van Maandagochtend tot en met Vrijdagmiddag naar de bossen op de Veluwe om functiebeschrijvingen te maken van de mensen die daar in dienst van het Staatsbosbeheer werkten.
In die tijd werkten we nog op Zaterdagochtend. Die ochtend werd gebruikt om op kantoor verslag uit te brengen van wat we hadden uitgevoerd , de nieuwe opdrachten voor de komende week te ontvangen en de afspraken te maken met de boswachters waar we dan heen moesten. Ons werk begon in een boswachterij vaak met een verhaal over de functie-analyse, met een inleiding voor degenen die we zouden interviewen en daarna gingen we het bos in om die mensen ook aan het werk te kunnen zien. Het aantal functies was betrekkelijk beperkt. Daarom had ik in overleg met Harry enkele (vijf, meen ik) standaardbeschrijvingen gemaakt. In die standaardbeschrijvingen pasten de meeste mensen wel. Soms waren er die in een speciaal onderdeel van het werk uitblonken, zodat zij dat ook vaak opgedragen kregen. Dat gaf dus als het ware een “extra” op de algemene beschrijving. In de uiteindelijke waardering telde zo’n extra natuurlijk mee. We maakten op de aangegeven wijze veel meer functiebeschrijvingen dan we volgens de “norm” op kantoor moesten doen. Dat hielp wel als we met bijzondere vragen en om voorrechten kwamen. Denk er bijvoorbeeld aan, dat we als eersten met een auto zonder chauffeur weg mochten.
Een ander probleem dat we aan onze chef (de man heette ook Visser) voorlegden was, dat we vaak erg lang moesten zoeken naar een plaats waar we konden overnachten. Het was mooi weer, het was vakantietijd en veel hotels en pensions waren vol. Soms moesten we kilometers rijden om iets te vinden. Vaak was het al bij negen uur in de avond dat we daar ook in slaagden. Met de vergoeding die we kregen voor de overnachtingen konden we ons niet veroorloven in echt dure hotels te gaan slapen. Dat bracht ons tot het voorstel aan de chef om te mogen overnachten op een camping. Ook dit was een moeilijk punt. Maar we kregen het voor elkaar.
Dus hadden we vanaf dat moment altijd een tentje en andere kampeerspullen bij ons en gingen we op de eerste de beste kampeerplaats overnachten. Daar was meestal nog wel een plekje te vinden. Voor ons was dit wel lucratief. Campings waren véél goedkoper dan hotels en pensions.
We kregen op een camping wel vaak allerlei vragen, waarom we met die grote auto reden, waarom er BZ op die auto stond enzovoort. Wij wilden graag en beetje anoniem blijven. Dat leidde er toe dat Harry op een dag zei: “Wij zijn van de Melkbrigade.” De melkbrigade was in die tijd een uitvinding van de overheid, die meende dat er te weinig melk gedronken werd. In media, radio t.v. enz. werd voortdurend gewezen op het goede van melk, dat er meer van gedronken moest worden en vooral dat de Melkbrigade overal kon opduiken. Wat ze dan deden is mij niet duidelijk meer.
Het bleek een goede vondst van Harry te zijn. Het verhaal werd meestal voor zoete koek geslikt.
Op een dag, waar het was weet ik niet precies meer, kwamen we me de Zwarte Tor toch nog vast te zitten in het zand. Ik vroeg Harry om uit te stappen en aan de achterbumper te proberen de auto een beetje op en neer te bewegen. Na een paar keer lukte het me om uit het mulle zand weg te komen. Maar ik durfde niet te stoppen voordat ik ook een plekje zag waarvan ik dacht de auto ook weer weg te kunnen rijden. Harry kwam hijgend achter me aan rennen. Hij was boos, omdat hij meende dat ik hem alleen wilde pesten met doorrijden. Het kostte moeite om hem van het tegendeel te overtuigen!.
Een andere keer kwamen we, nadat het nogal flink geregend had, aanrijden naar een kruising met een zogenaamde “holle weg”. Dat is een weg die (waarschijnlijk doordat hij veel gebruikt wordt) uitgesleten is en dus veel lager ligt dan het omringende terrein. Precies op die laag liggende kruising lag een grote plas water. Voor de zekerheid stopte ik en liep naar de kruising toe. Met een stok probeerde ik te meten of de plas niet te diep was om er doorheen te rijden. Volgens mij moest het wel lukken. Dus: terug naar de auto, een eindje achteruit en met een flink vaartje dwars door de plas heen. Het lukte. Maar toen ik in mijn spiegel keek schrok ik erg! Door de holle weg daverde ongeveer tien meter achter ons langs een militaire tank door de plas. We waren juist op tijd weg geweest.
20060813